Make your own free website on Tripod.com
Leesclub Nieuwerkerk
De stad der blinden - Jose Saramago

...

HOME

RECENSIES : | Sleuteloog - Hella Haasse | Dooi - Rascha Peper | God's gym - Leon de Winter | De stad der blinden - Jose Saramago | De voorlezer - Bernard Schlink | De zonnewijzer - Maarten 't Hart | De passievrucht - Karel Glastra van Loon | De hydrograaf - Allard Schroder

José Saramago: De stad der blinden
Het boek "De stad der blinden" is uit het omvangrijke oeuvre van de Portugese schrijver Samarago, het enige boek dat zowel in Portugal zelf als in het buitenland een bestseller is geworden. Hierin beschrijft hij de gebeurtenissen van de bevolking in Lissabon, die plotseling door een onbekende besmetting blind wordt. De slachtoffers worden in een inrichting geïsoleerd. Al snel spelen zich daar verschrikkelijke taferelen af. Normen en waarden verliezen hun betekenis.

José Samarago, een overtuigd communist, verkocht onlangs de filmrechten van dit boek aan Amerika. Hij stelt in dit boek belangrijke vragen aan de orde. Vragen over de betekenis van begrippen als 'tirannie', 'leiderschap', maar ook als 'liefde', 'menselijkheid' en 'overlevingsdrang'.
Samarago is niet uit op antwoorden; zijn doel is de zaken aan de orde te stellen en de mensen aan te zetten tot nadenken.

Dit boek heet in het Portugees 'Essay over de blindheid' en heeft ondanks de beschrijvingen van verschrikkelijke gebeurtenissen een boodschap van hoop.

Trouw van 16-10-1998 Pagina 17 boeken recensie ILSE MARREVEE

Saramago erkent de complexiteit van de menselijke geest

Vanaf het begin onderscheidt 'De stad der blinden' zich door de stijl en het inzicht in de psyche van de mens. Onverbloemd beschrijft Saramago hoe de mensheid in staat is beestachtige situaties te creëren. De tijdloze meerwaarde van 'De stad der blinden' bevestigt de terechte keuze van Saramago als winnaar van de prestigieuze Nobelprijs voor Literatuur.

José Saramago: Nobelprijs. FOTO REUTERS

Fantasie neemt in 'De stad der blinden' allegorische vormen aan. In een stad worden bewoners van het ene op andere moment blind. De blinden zijn verblind door wit licht. De eerste blinden, onder wie een oogarts, zijn vrouw en een aantal van zijn patiënten worden door de regering, die een epidemie vreest, geïsoleerd in een voormalig psychiatrische kliniek en door militairen bewaakt.

De kliniek is echter niet berekend op de hoeveelheid mensen, de sanitaire voorzieningen zijn slecht, de voedselvoorziening is onregelmatig. Dit leidt tot barbaarse overlevingsstrategieën en vernederende situaties.

Volgens de flaptekst speelt 'De stad der blinden' zich af in Lissabon. Toch wordt de stad nergens expliciet genoemd. Subtiele details die zouden kunnen verwijzen naar Lissabon zijn de steile straten en de raven (het symbool van de stad). Het idee dat de witte blindheid zou kunnen verwijzen naar de 'witte stad' Lissabon - vanwege het licht langs de Taag bij bepaalde weersgesteldheid - is waarschijnlijk discutabel maar zij bij deze vermeld. In 'De stad der blinden' ontbreekt elke couleur locale. De personages hebben zelfs geen namen maar worden aangeduid als: de eerste blinde, de oogarts of het meisje met de zwarte zonnebril.

De belangrijkste thema's vormen de 'mysteries van de menselijke ziel' en de 'kronkels van het menselijk denken'. Ogenschijnlijk absolute tegenstellingen zoals dader-slachtoffer en goed-kwaad stelt Saramago terloops ter discussie. Toch overheerst in zijn stijl de milde ironie. Saramago ontkent niet dat het bestaan kommervol is, vol misère, verantwoordelijkheden en morele dilemma's, maar hij erkent tegelijk de complexiteit van de menselijke geest, de ongelijkheid in de sociale verhoudingen en het lot van de omstandigheden.

De primair lichamelijke kant van de mens schuwt hij evenmin in zijn roman. Nu moesten ze allemaal, en nog het meest het arme jongetje, dat het niet meer kon ophouden, tja, het kost moeite, maar ook deze minder appetijtelijke kanten van het leven horen thuis in een verslag, met kalme ingewanden kan iedereen over van alles nadenken en discussiëren, bijvoorbeeld of er een direct verband bestaat tussen ogen en gevoelens, of dat verantwoordelijkheidsbesef een natuurlijk gevolg is van een goed gezichtsvermogen, maar als de nood hoog is, als je lichaam zich van pijn en benauwenis aan je gezag onttrekt, dan zie je het simpele dier dat wij eigenlijk zijn.

De personage van de vrouw van de oogarts speelt een cruciale rol. Zij is blijven zien, maar veinst blind te zijn om bij haar blinde man in de kliniek te kunnen zijn. De figuurlijke betekenis van de blindheid die in het door Saramago geciteerde 'Boek der Raadgevingen' - 'Wie ogen heeft, die kijke/ Wie zien kan, neme waar' - naar voren komt, stelt zij aan de orde. Zij suggereert dat de blindheid misschien geen echte blindheid is maar een weigering om te zien. Zij is zich bewust van de verantwoordelijkheid die zij draagt als ziener onder de blinden.

De vrouw van de oogarts fungeert niet alleen letterlijk als oog maar ook als bewaker van de morele waarden: Als we niet helemaal als mensen kunnen leven, laten we dan tenminste alles doen om niet helemaal als beesten te leven, zo vaak zei ze dat, dat de rest van de zaal die in wezen simpele en elementaire woorden tenslotte verhief tot een maxime, een sententie, een doctrine, een levensregel.

De heersende macht in de vorm van het optreden van regering en militairen wordt door Saramago genadeloos op de hak genomen: De twee soldaten van de escorte, die op het bordes waren gebleven, reageerden voorbeeldig op het gevaar. Hoe en waarom weet alleen God, maar ze bedwongen hun terechte angst, stapten naar de drempel van de deur en schoten hun magazijnen leeg.

De kracht van 'De stad der blinden' is het universele karakter. De mengeling van allegorische fantasie, platvloerse details en nimmer afwezige ironie maakt deze roman, die zeker niet gespeend is van een missie, tot een overtuigend relaas.

José Saramago: De stad der blinden. Vert. Harrie Lemmens. Meulenhoff, Amsterdam; 304 blz. - 44,90.


Op dit artikel berust copyright! © 1998 Marrevee, Ilse
Restricties: Nee
Copyright: Marrevee, Ilse

Algemeen Dagblad van 16-10-1998 Pagina 25 Kunst, niet bekend Door L. Oomens

Niemand aardig bij Saramago

DE PORTUGESE schrijver José Saramago kreeg vorige week de Nobelprijs voor literatuur. Zo'n onderscheiding betekent de erkenning voor een heel oeuvre en niet voor een specifiek boek.

José Saramago: De stad der blinden. Vert. Harrie Lemmens. Meulenhoff, 304 blz. 44,90. ISBN 9029056576. Beoordeling: Matig; Foto: Jose Saramago. Foto Roeland Fossen/HH

Het toeval wil dat er juist deze maand een boek van Saramago (75) in het Nederlands het licht zag: De stad der blinden. Dat maakt nieuwsgierig of ook dat boek het niveau haalt dat een Nobelprijswinnaar waardig is.

Toen Saramago in 1995 zijn Ensaio sobre a Cegueira schreef (letterlijk: Opstel over het blindeninstituut), was hij de 70 al gepasseerd. In niets blijkt dat zijn fantasie en schrijfkracht hebben geleden van de ouderdom. Hoogstens kun je zeggen dat hij zijn fantasie wel erg de ruimte geeft.

Door een besmettelijke ziekte wordt een groot aantal mensen in Lissabon blind. De overheid richt een leegstaand gekkenhuis in als quarantaine-inrichting. In die gesloten samenleving gelden de weten van een gewone, goedlopende samenleving niet meer. Iedereen is uit op overleven. De enige wet die geldt is die van de jungle.

Dat ook een groep misdadigers in het blindenasiel terechtkomt, verhevigt de spanning en de gewelddadigheid van het verhaal. Maar de beestachtige slechtheid van deze 'schoften' zoals Saramago ze noemt, ligt in het verlengde van de alledaagse slechtheid die volgens Saramago eigen is aan de mens.

Om dat te demonstreren zou Saramago eigenlijk zijn toevlucht niet hebben hoeven nemen tot de geïsoleerde wereld in de inrichting. Maar die verbijzondering is een gebruikelijke truc in de literatuur, van de moord in een pension bij Agatha Christie tot het onbewoonde eiland van Lord of the Flies van William Golding. De schrijver beziet zijn personages om zo te zeggen in laboratoriumomstandigheden.

Bovendien biedt de blindheid van de personages Saramago de gelegenheid tot een wat afgesleten beeld: dat van de mensen die ziende blind zijn. Aan het eind van het verhaal zijn alle figuren door een hel gegaan, maar zien ze nu beter? Dat laat Saramago in het midden.

Van het verhaal moeten we het dus niet hebben in dit boek. Dat lijkt nog het meest op een modern rampenverhaal, geschikt als uitgangspunt voor een B-film. De lezer moet het hebben van de manier waarop Saramago dat verhaal vertelt.

Het gaat daarbij niet zozeer om de stijl waarin Saramago schrijft. Die is helder en zakelijk. Alleen de manier waarop hij scènes beschrijft waarin verschillende personages aan het woord zijn, geeft hij een bijzondere snelheid.

Hij schrijft de dialogen achter elkaar op, met alleen komma's om de verschillende stemmen van elkaar te onderscheiden. Dat geeft het effect alsof iedereen elkaar in de rede valt, of door elkaar praat.

Belangrijker is de manier waarop Saramago zich heeft ingeleefd in de gevolgen van het blind worden en van het moeten samenleven in een gemeenschap van blinden. Saramago vertelt daarover in beeldende incidenten.

Zo moeten de blinden hun weg vinden in het asiel. Daarom geven ze de bedden nummers. Om de weg aan te geven naar de plek waar de voedselpakketten worden neergezet, binden ze repen van een laken aan elkaar als een draad van Ariadne in het labyrint van koning Minos. In die beelden schuilt de overtuigingskracht van dit boek, meer dan in de gewelddadigheid die losbarst in de quarantaine-inrichting.

Je mist de mogelijkheid om je met een van die personages te identificeren, om ook maar iemand aardig te vinden. De vrouw van de oogarts, de enige in het asiel die kan zien, komt daar het dichtst bij in de buurt.

Saramago geeft haar echter geen naam. Ze blijft 'de vrouw van de oogarts'. Haar rol in het verhaal is belangrijker dan haar persoonlijkheid. En zo is het ook met de andere naamloze geïnterneerden. Dat is voor deze lezer te mager om geboeid te blijven.


Op dit artikel berust copyright! © 1998 Algemeen Dagblad
Restricties: Nee
Copyright: Algemeen Dagblad
 
 

Van de site: http://scholieren.samenvattingen.nl/search/open/5233070/

De stad der blinden is geschreven door José Saramago. Saramago is geboren op 16 november 1922 op het Portugese platteland, maar 2 jaar later verhuisden zijn ouders al naar Lissabon. Zijn ouders waren straatarm en konden gewone school niet betalen dus ging hij naar een ambachtsschool. Hij heeft daarna heel wat beroepen uitgeoefend en uiteindelijk ging hij werken bij een krantendrukkerij. Daar begon hij zelf wat te schrijven. Ten slotte werd hij daar hoofd-redacteur. Hij schreef ook onder andere Memoriaal van het klooster en Het evangelie volgens Jezus Christus. Hij ontving de Nobel prijs voor literatuur op 8 oktober 1998.

Het boek dat ik heb gelezen is De stad der blinden. Het is de vijfde druk en telt 304 bladzijden. Het is gedrukt door Meulenhoff. De oorspronkelijke titel is Ensaio sobre a Cegueira.

Het thema is eigenlijk vooral naastenliefde, de blinden leren echt voor elkaar te zorgen. De mensen in dit boek die geen vrienden hebben die om hen geven kunnen gewoon niet overleven.
De titel, De stad der blinden, is eigenlijk vrij logisch gekozen, het boek gaat namelijk over een stad waarin iedereen blind is geworden. Het verhaal speelt zich af in Lissabon ik denk omsstreeks 1998 want dat is het jaar van de eerste druk van het boek. De vertelde tijd is ongeveer een jaar. De hoofd personages zijn een oogarts, de eerste blinde en zijn vrouw, een meisje met een zonnebril, een oude man met een ooglapje, een jongetje en de vrouw van de oogarts. Ze zijn allemaal met elkaar in contact gekomen en zo zijn ze besmet geraakt. De jongen, het meisje met de zonnebril en de oude man waren allemaal in de praktijk van de oogarts geweest toen de eerste blinde kwam toen hij blind was geworden. In het verhaal worden de hoofdpersonages zeer afhankelijk van de vrouw van de oogarts, die niet blind is. Ze worden een hechte groep.

Het boek gaat over een stad, Lissabon, waarvan de mensen plotseling volledig blind worden. Het begint met een man die voor een rood licht plotseling niets meer ziet. Al snel blijkt dat de blindheid besmettelijk is en er breekt een ware epidemie uit. De eerste blinden worden opgesloten in een gekkenhuis om te voorkomen dat de ziekte uitbreidt. In het gekkenhuis vormen zich al gauw groepjes en één groepje wordt in het verhaal gevolgd.
Het groepje bestaat uit een oogarts, de eerste blinde en zijn vrouw, een meisje met een zonnebril, een oude man met een ooglapje,een jongetje en tot slot de vrouw van de oogarts, die als enige kan zien. In het gekkenhuis wordt de situatie al snel onhoudbaar. Het eten blijft te lang weg, de lijken beginnen te rotten en er is te weinig plaats voor nog meer blinden. Wanneer er een heleboel nieuwe blinden bijkomen neemt een groep de totale controle over en geeft alleen voedsel in ruil voor juwelen en kostbare voorwerpen. Maar al snel heeft niemand nog sieraden en eisen de ze vrouwen. In ruil voor een klein beetje voedsel worden alle vrouwen verkracht totdat de leider, die een vuurwapen bezit, vermoord wordt door de vrouw van de oogarts. Daarna breken ze uit en komen tot de constantatie dat de militairen weg zijn, allemaal blind geworden. Ze kunnen voorlopig onderdak vinden in het huis van het meisje met de zonnebril. Er is weinig te eten in de stad want alle winkels zijn al geplunderd. De blinden worden meer en meer afhankelijk van de vrouw van de oogarts. Uiteindelijk krijgt iedereen het gezichtsvermogen terug en zo eindigt het verhaal.

Ik vond het een schitterend boek. Het verhaal is wel erg maar het is een plezier om te lezen. Wat ik wel een beetje jammer vond is dat je moeilijk de dialogen kan volgen omdat alles tussen kommas staat. Als er een hoofdletter staat begint iemand anders te praten maar daar kijk je vaak overheen. Voor de rest was vlot om te lezen en verslavend. Ik vind dit boek bijzonder omdat ik echt ontroerd was van sommige dingen in het boek zoals de lijken die werden opgegeten door honden. Zijn beschrijvingen zijn ook fantastisch, je kan het zelfs bijna ruiken.De stad der blinden is in het Nederlands vertaald door Harry Lemmens in 1998. De originele titel is Ensaio sobre a Cegueira, en is in het Portugees in de eerste druk in Lissabon verschenen in 1995.
Saramago (Ribatejo, ten noorden van Lissabon 1922) schreef een groot aantal romans, waaronder Memoriaal van het Klooster en Het evangelie volgens Jezus Christus. Sommige van zijn romans zijn historisch van aard, andere zijn puur fictief.
Inmiddels heeft Saramago voor zijn werk de Nobelprijs voor literatuur gekregen.
De Nederlandse vertaling is uitermate goed; het verlies aan niveau dat zich meestal bij vertaalde werken voordoet is tot een absoluut minimum beperkt gebleven. De stijl is direct, zakelijk, wat vooral door de alwetende verteller wordt veroorzaakt maar ook door het uitblijven van sentimentele, moeizame verhandelingen.
Een van de meest boeiende dingen aan het boek zijn de dialogen, die op een zeer aparte manier zijn opgetekend.

Wie ogen heeft, die kijke.
Wie zien kan, neme waar.

Boek der raadgevingen

Het boek

Het begint allemaal bij een willekeurig stoplicht in Lissabon. Wanneer het licht op groen springt rijdt een auto niet weg. Andere bestuurders willen de auto van de weg duwen, en merken dat de bestuurder iets roept: "uit bewegingen van zijn mond viel af te leiden dat hij een woord herhaalt, nee, niet een maar drie, zoals duidelijk zal worden als iemand er tenslotte in slaagt een portier te openen, Ik ben blind."
Vanaf hier begint een sneeuwbal te rollen. De ziekte die blind maakt (de witte blindheid) verspreidt zich snel, en blijkt zeer besmettelijk te zijn. Het perspectief verschuift al snel naar een oogarts, die als eerste een geval onderzoekt en daarbij zelf besmet raakt.
De regering neemt maatregelen: De blinden worden opgespoord, en met hun familieleden opgehaald om in een oud gekkenhuis te worden opgesloten. Zo ook de oogarts; wanneer voor hem de ambulance voorrijdt, stapt ook zijn vrouw in: "De chauffeur van de ziekenwagen protesteerde van af de voorbank, Ik mag alleen hem meenemen, dat zijn de orders die ik heb gekregen, stapt u alstublieft uit. De vrouw antwoordde in alle rust, U moet mij ook meenemen, ik ben niet blind geworden."
In de eerste kamer van het gekkenhuis verzamelt zich een groepje blinden: De eerste blinde, de autodief, het meisje met de zonnebril, het jongetje zonder moeder dat loenste, de oogarts en zijn vrouw. Maar de vrouw van de oogarts is niet blind, en ze wordt het ook niet.
De dief krijgt een hak van het meisje in zijn been wanneer hij avances jegens haar maakt. De wond ontsteekt. Van de soldaten hoeven de blinden niets te verwachten. De dief kruipt ijlend over het voorplein, en wordt door de wachtpost doodgeschoten wanneer hij, verdwaald, aan het hek morrelt.
De vrouw van de oogarts vertelt alleen haar man dat ze kan zien. Anderen vermoeden slechts, doordat zij meer en meer als onmisbare hulp optreedt.
Na een paar dagen komen er busladingen nieuwe blinden; alle bedden in het huis worden bezet. Nu komen er nieuwe blinden op de kamer, waarvan de oude man met het lapje een is. Hij, een patient van de arts, vertelt hoe het in de wereld er voorstaat. Hij brengt een radio mee.
Het eten wordt in dozen tot de deur gebracht; de blinden moeten het zelf ophalen. Een groepje doet een "staatsgreep" door de macht over het voedsel te verwerven. Een van hen heeft een pistool, hij is de leider, en samen met andere schurken op die kamer vormen ze een machtsblok die de andere blinden gaan overheersen. Ze eisen betaling voor het voedsel, eerst in de zin van geld en waardevolle dingen, later in de zin van vrouwen. Geen vrouwen, geen eten wordt het devies.
Langzaam maar zeker loopt de situatie op deze manier uit de hand. In een grote anarchistische gemeenschap is de enige die ziet nog steeds de vrouw van de oogarts, die uiteindelijk ook de leider van de "slechte" blinden doodsteekt met een schaar. Het resultaat is dat de groep schurken zich nu opsluiten en helemaal geen eten meer uitdelen.
Op een morgen worden er geen dozen meer gebracht. De toevoer blijkt te haperen, dat meldt de sergant die hen bewaakt.
De blinden besluiten voedsel van de schurken te proberen te krijgen, door ze uit hun kamer te drijven. Daarvoor willen ze de barricade van bedden en matrassen in brand steken. Op deze dag valt ook de luidspreker stil.
Bij deze poging brandt een groot stuk van het huis af. Velen komen om, iedereen die sterk genoeg is ontkomt: De poort stond open, de soldaten waren weg of blind: De blinden zijn vrij.
Samen met de vrouw van de arts als leider gaat een klein groepje blinden op weg, de stad in. Op zoek naar eten, onderdak, warmte. Via omzwervingen komen ze uiteindelijk in het huis van de oogarts terecht. Van daaruit onderneemt de vrouw van de oogarts strooptochten op zoek naar eten, daar blijven de blinden bij elkaar. Op haar tochten ontmoeten ze een schrijver die het huis van de eerste blinde heeft betrokken en een boek schrijft over de situatie. Ook komt ze in een kerk, waar alle heiligenbeelden geblinddoekt zijn, behalve een vrouw die geen afgedekte ogen had, omdat die op een zilveren schaal in haar handen lagen.
Op een morgen: "Ik ben blind, roept de eerste binde, alsof dat het grootste nieuws van de wereld was, zijn vrouw omhelsde hem liefdevol, Maar jongen, dat zijn we toch allemaal, wat kunnen we daar nou aan doen, Ik zag alles donker, dacht dat ik in slaap was gevallen, maar ik slaap niet, ik ben wakker, Dat zou je inderdaad moeten doen, slapen en niet aan zulke dingen denken. Die raad ergerde hem, doodsbang was hij en dan wist zijn eigen vrouw niets beters te zeggen dan dat hij moest gaan slapen. Kwaad, een bits antwoord al op zijn lippen, deed hij zijn ogen open en zag. Hij zag en riep, Ik zie. De eerste gil was er nog een van ongeloof, maar met de tweede en de derde en alle volgende nam zijn zekerheid toe, Ik zie, ik kan zijen, dol van vreugde omhelde hij zijn vrouw, rende vervolgens naar de vrouw van de oogarts en homhelsde haar ook, het was de eerste keer dat hij haar zag maar hij wist wie ze was, en de oogarts en het meisje met de zonnebril en de oude man met het zwarte lapje, bij hem was geen vergissing mogelijk, en het schele jongetje, zijn vrouw liep achter hem aan...."
Een voor een krijgen de blinden hun gezichtsvermogen terug.
De vrouw van de oogarts stond op en liep naar het raam. Ze keek omlaag, naar de straat vol afval, naar de mensen die juichten en zongen. Daarna hief ze haar hoofd op naar de hemel en zag dat die helemaal wit was, Nu is het mijn beurt, dacht ze. Van schrik sloeg ze haar ogen neer. De stad was er nog.

Een raad:

Lees dit boek. Het is meer dan goed.

http://www.boekgrrls.nl/BgBesprokenBoeken/SaramagoJose.htm

Allereerst iets over de stijl om te weten wat je te wachten staat als je het boek gaat lezen.:

Ik moest er erg aan wennen, maar na een bladzij of vijftig weet je niet beter. Een groot voordeel van deze stijl is - voor (te) snelle lezers als ik - dat je gedwongen wordt elk woord te lezen. Alles staat immers achter elkaar, nauwelijks alinea's, een enkele hoofdletter, bijna louter komma's. De details, de eeuwige waarheden, alles wordt opgesomd in eenzelfde stijl. En wie zouden we zelf zijn, in deze stad? Ik denk dat een ieder het zich wel afvraagt.

Ik moest er ook aan wennen. Je hebt gelijk (ik lees meestal snel), maar doordat alles achter elkaar staat, raak je heel makkelijk de draad kwijt. Je wordt gedwongen heel precies te lezen. De stijl past bij het boek, de gebeurtenissen volgen onafwendbaar op elkaar. Er zijn bijna geen rustpunten. Ik vind het een vreselijk beklemmend, maar fascinerend boek. 

Saramago gebruikt komma's en hoofdletters, steeds als er een andere persoon aan het woord komt, een beetje zoals aanhalingstekens openen en aanhalingstekens sluiten, het leest inderdaad heel compact zo, alles achter elkaar, maar door de hoofdletters raak je niet helemaal het spoor bijster. 

________

Dan de sfeer en de inhoud van het boek:

Dat naamloze van een ieder beklemde me tot het eind. Maar hoe heet ze nou 'de vrouw van de oogarts' (Saramago zal het zeker niet zo bedoelen, maar ik houd niet zo van 'de vrouw van'. "Een 31-jarige man uit Heerhugowaard en zijn 29-jarige vrouw zijn gisteravond bij een eenzijdig auto-ongeluk om het leven gekomen", dat soort associaties roept het op.), waarom geven ze 'de hond van de tranen' geen naam? Het staat helemaal in het begin wel 'verklaard' maar het blijft me fascineren.

"De stad der blinden" is één van Saramago's meest toegankelijke boeken. In Lissabon worden gaandeweg alle inwoners blind. Wat eerst leek op een uitzondering, wordt dan algemeen. Maar de bewoners organiseren zich, zij het wel op een heel andere manier dan tevoren. Met het verlies van het gewone gebruik van de ogen, lijkt ook elke morele beperking weg te vallen : de ware aard van de mens komt naar boven. Het is niet bepaald een boek dat de positieve kant van de mensheid laat zien, eerder geeft het een realistisch beeld van onze eigenlijke diepste gronden. Op de achterflap van het boek staat iets van "de krochten van de menselijke geest", en dat is volledig waar. Toch is het geen negatief of pessimistisch boek : uit het verhaal spreekt ook een groot vertrouwen in de naastenliefde, in hulp aan mekaar, in de kracht van de mens om zelfs in uitzonderlijke situaties te kunnen overleven, in de fantastische vindingrijkheid om ondanks alles zichzelf en zijn geliefden te redden uit de penarie. Het boek eindigt dan ook met een heel positieve noot, in nieuw zelfvertrouwen, als de mensen hun gezichtsvermogen weer terugkrijgen.

B en begonnen in De stad der Blinden, ik ben nog niet zo ver, maar ik vind het boek een beklemmende sfeer hebben. Ik moet trouwens sterk wennen aan de stijl van Saramago, vooral in het begin die afwisseling van verleden en tegenwoordige tijd gaf me het idee dat de tekst niet klopte. .

Zo'n mooi boek! Ik heb het tenminste in één adem uitgelezen. Wel had ik nog op bepaalde momenten tijdens het lezen een benul van 'waarom doen ze dat zó en niet anders', maar verder greep het me zo aan dat ik wel door moest blijven lezen. Iets onlogisch vond ik bijvoorbeeld dat de besmette mensen in een andere vleugel van het gebouw gezet werden dan de reeds blinde mensen. De besmetten hadden de blinden kunnen helpen, het jongetje zou zijn moeder niet kwijt hebben hoeven raken. 

Als je dan verder leest weet je dat dat een bedoeling had. Het is natuurlijk veel mooier als het meisje met de zonnebril het jongetje helpt, en als de blinden beter hun weg hadden geweten zou de altijd al blinde nooit de macht in handen hebben kunnen krijgen. Hoe een geordende maatschappij in een totale chaos verandert, was iets wat me heel erg beklemde. Het deed me denken aan iets waaraan ik me vroeger altijd ergerde: mensen die spraken over 'het systeem' en er daarmee hun afkeuring over uitspraken. Of voor mijn part iedere vorm van orde. Je hebt het nodig in een maatschappij, want in de stad der blinden wil echt niemand wonen.

En natuurlijk is het fantastisch voor boekgrrls dat de mensen weer gaan zien op het moment dat de orde van een literair werk in de chaos wordt gebracht! Jammer dat ik niet weet uit welk boek er werd voorgelezen. Ik weet niet eens of dat eigenlijk wel gezegd werd.

Ger Groot van de NRC over dit boek:

(...) "Niet dat Saramago zo'n ingewikkelde schrijver is. Zijn stijl heeft een paar typerende kenmerken, waar je snel aan went. Volle bladzijden zijn het eerste wat opvalt. Er zit weinig wit in Saramago's romans. In de loop der jaren zijn zijn alinea's steeds langer geworden en nu beslaan ze vaak meerdere bladzijden aaneen. En de dialogen zijn achter elkaar doorgeschreven, waarbij alleen een komma en een hoofdletter aangeeft dat de spreker wisselt.

Saramago schrijft als een verhalenverteller, met de middelen en de natuurlijkheid van de orale literatuur, die Harrie Lemmens in zijn vertalingen razend knap naar het Nederlandse ritme heeft weten over te brengen. 

(...) Elke alinea is net zo lang als de spanningsboog van de verteller reikt. Na elke onderbreking begint het verhaal weer vanuit een nulpunt, waaiert uit en komt opnieuw tot stilstand in een rustpunt, vaak een gezegde of levenswijsheid die de grondtoon van het volksrelaas is. Alinea's zijn de basiseenheid van Saramago's boeken, niet de hoofdstukken, waarvan de indeling vaak alleen maar dient om de tijd te laten verspringen. En ook niet de afwisseling van stijl of genre, waarvan de grenzen vaak nauwelijks zichtbaar zijn. Maar echte spreektaal wordt Saramago's stijl nooit. Realisme is in de kunst nu eenmaal de tovertruc het kunstmatige te laten doorgaan voor het echte, dat - letterlijk weergegeven - alleen maar gekunsteld zou zijn. 

Hoe echter de kunst, des te groter de simulatie.

(...) Het realisme van Saramago's werk schuilt in de aanhoudende beproeving van die humanistische overtuiging, die hij elke roman weer opnieuw onderneemt. In De stad der blinden is hij daarin het verst gegaan. De blindheidsepidemie werpt de mensheid terug tot een situatie van voor elke beschaving, en pas dan wordt duidelijk hoe moeizaam een menswaardig samenleven bevochten moet worden. De kleine groep overlevenden die Saramago in zijn boek volgt, houdt het uit omdat een paar leden ervan de zorgzaamheid en het vermogen tot liefhebben niet verliezen. 

Dat zijn vooral vrouwen, die bij Saramago vaak de pijlers van de menselijkheid zijn: een meisje dat zich ontfermt over een jongetje dat zijn moeder is kwijtgeraakt, een vrouw die als enige is blijven zien en daarmee - als een omgekeerde blinde profeet uit de oude tradities - het overleven van de kleine groep richting kan geven.

(...) Tegen het einde van het boek laat Saramago de ene vrouw die nog ziet romans voorlezen aan haar groep, niet alleen om de verveling te verdrijven maar ook om morele wezens te blijven.  Een schrijver die zij op haar dooltochten ontmoet vertelt hoe de algemene blindheid zijn beroep en zijn naam met één klap betekenisloos gemaakt heeft. Niet alleen omdat niemand meer kan lezen, maar vooral omdat de wereld alle waarden heeft verloren waarvan de literatuur bestaat. Elk boek probeert orde en betekenis te scheppen, maar wanneer de mensheid die de betekenis van woorden en namen zou kunnen begrijpen wegglijdt in animaliteit, wordt elk boek absurd. 

'Blinden hebben geen naam nodig, ik ben deze stem die ik heb, de rest doet er niet toe', zegt de schrijver, die ooit misschien beroemd was. Niemand heeft een naam in De stad der blinden. De personages heten 'het meisje met de zonnebril', 'de oogarts' 'het jongetje dat scheel kijkt' of 'de autodief'. De vrouw die als enige haar gezichtsvermogen behoudt, 'de vrouw van de oogarts', doorziet dat verlies aan identiteit en menselijkheid al snel. 'Wat voor nut zouden onze namen nog hebben, honden herkennen andere honden niet door de naam die ze hebben gekregen, maar aan de geur, en zo maken ze zich ook kenbaar, wij zijn hier net een soort afwijkend hondenras', mijmert ze in het begin van de roman, wanneer de ergste verschrikkingen nog moeten komen. (...)"

Tot zo ver werd Ger Groot geciteerd.

__________

Welke gedachten veroorzaakten het boek bij ons en wat is het thema?

Het is een fantastisch boek. Het deed mij voortdurend denken aan "La Peste" van Albert Camus, ook zo indrukwekkend. In dat boek ontstaat er in een noord-afrikaans stadje de pest. De stad en haar inwoners worden geisoleerd. Je ziet dan ook een tweedeling ontstaan; mensen zijn sociaal (behulpzaam/betrokken) of a-sociaal (gericht op zichzelf, op overleven koste wat kost). Je denkt jezelf uiteraard bij de socialen, maar of dat ook zo zou zijn? Het is net zo'n soort vraag als hoe zou je in de oorlog zijn geweest. Als je er niet bij bent geweest, is het gemakkelijk kiezen.

Saramago heeft blijkbaar niet zo veel vertrouwen in de mensheid (hij is communist) In dit boek laat hij, volgens zijn eigen woorden, zien hoe mensen in hun blinde strijd om te overleven in een ommezien degenereren en de wereld in een hel veranderen. Gelukkig is daar toch nog licht aan de einder, de vrouw van de oogarts als reddende engel.

Thema: de vraag naar goed en kwaad; de grenzen aan de menselijkheid. "Als we dan niet helemaal als mensen kunnen leven, laten we dan tenminste alles doen om niet helemaal als beesten te leven" (blz. 111). en "Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn. Blinden die zien, blinden die ziende niet zien" (blz. 304). 

Ten eerste het besef wat het betekent om blind te zijn. En vooral: als er niemand meer is die kan zien. Wat een ontreddering. Ten tweede de vraag wat er gebeurt als niemand meer elkaar kan zien en kan zien wat anderen doen. In mijn studie ethiek heb ik een contracttheorie onderzocht waarbij iedereen in een hypothetische situatie is waarbij het niet duidelijk is wat je bent (m/v, oud/jong, rijk/arm) en waarbij afspraken moeten worden gemaakt over wat de meest rechtvaardigste verdeling van goederen in een samenleving is. Er komt dan uit dat in ieder geval degenen die het slechts af zijn, nog een redelijke basis moeten hebben waarop ze hun leven vorm kunnen geven. (daarom moet er bijv. belasting worden betaald). 

Op een of andere manier vind ik die situatie heel erg lijken op die in de stad der blinden, waar het er ook niet meer toe doet wat je maatschappelijke positie is en waar iedereen gelijk is door de blindheid. Dan blijkt dus dat er mensen zijn die nog een moraal erop nahouden en mensen die meteen van de situatie gebruik maken door alleen voor zichzelf te zorgen. Kortom, ik vind het een beangstigend idee dat niet alle mensen een soort basismoraal erop na houden dat iedereen een kans moet hebben om te overleven. In het boek ben ik natuurlijk nog niet zover dat blijkt dat de 'slechterikken' ook werkelijk degenen zijn die overleven, dus ik ben benieuwd hoe Saramago zijn vertelling laat lopen.

Spannend.... 

Ik vind dit echt een boek dat je wereldbeeld even doet schudden en daarmee vind ik het echte literatuur, een nobelprijs waardig. Hoe belangrijk is waarnemening? In hoeverre bestaat de wereld zoals hij nu is, doordat wij hem waarnemen? Wat zijn de pijlers van onze maatschappij? Met dat soort vragen zit ik nu.

Voor mijn gevoel wordt het gebeuren nog beklemmender omdat de personen van buitenaf beschreven worden. Het verhaal wordt door een verteller verteld. Zo voorkomt hij te verzanden in het verdriet van 1, maar maakt hij datgene wat er gebeurd universeel en nog erger door een zekere mate van objectiviteit toe te voegen. 

Er wordt in het boek gesproken over het feit dat wanneer je elkaar niet meer ziet, je naamloos wordt. Ik hoop toch dat dat iet echt zo is. En nog beangstiger is te denken aan wat je zelf zou doen. Heb jij die basismoraal? En heb je hem ook als het er echt op aan komt? Houdt die basismoraal je in leven? Het stuk in het ziekenhuis deed me ook wel een beetje denken aan de verhalen die je lees over concentratiekampen en dan vooral het deel over hoe men onderling in de groep met elkaar omgaat, wat er gebeurd als mensen ziek worden, als de honger erger wordt, als je er niet uit kan.

Ik ben er nog niet over uit of ik het afstandelijke goed of slecht vond in het verhaal. Het boek is aangrijpend. Ik vraag me een beetje af of het "erger" zou zijn als iedereen een naam had gekregen, of dat juist deze afstandelijkheid het verhaal versterkt. Want op de keper beschouwd zijn de meeste mensen in het verhaal vreemden voor elkaar. Ze hebben weliswaar een band omdat ze allemaal patiënten waren van de oogarts, of familie van patiënten. Voor mijn gevoel heeft Saramago het vervreemdende effect van de plotselinge blindheid met de naamloosheid van de mensen willen benadrukken. Dat maakt de afschuwelijke dingen die er gebeuren ook "begrijpelijker". Iemand waarvan je de naam weet zul je minder snel iets aan doen, dan iemand waarvan je weet hoe hij heet. Op één of andere manier denk ik, dat als hij namen voor de personen had gebruikt, hij ook de toon anders had moeten maken. Hoe afgrijselijk het ook is wat er allemaal gebeurd, het wordt met een zekere afstandelijkheid beschreven. Als hij namen had gebruikt, had ik meer emoties willen lezen. Ze zitten nu tussen de regels door, verborgen in het verhaal. Ik geloof dus dat de afstandelijkheid wel werkt, met de manier waarop hij het boek heeft geschreven.

"Iemand waarvan je de naam weet zul je minder snel iets aan doen, dan iemand waarvan je weet hoe hij heet."

Als dit waar is dan is eigenlijk het belang dat er aan een naam word gehecht vreemd. Als je van iemand de naam weet, zegt dat toch niets over die persoon? Waarom zou je hem of haar dan minder snel iets aandoen? Ik denk dat in dit boek niet zo zeer het weglaten van namen belangrijk is, maar juist het geven van omschrijvingen (in plaats van namen) aan personen een functie heeft. Want in de omschrijvingen zitten vaak waardeoordelen (niet in alle), hiermee wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen Goed en Kwaad en soms worden er ook karaktereigenschappen mee aangeduid (zoals bij de volgzame vrouw, die zichzelf in brand steekt). Overigens gebruikt Saramago ook in "Alle namen" meestal alleen omschrijvingen voor personages, op de hoofdpersoon na. Hetgeen in contrast staat met de titel.

(In deze context is het misschien wel grappig om een citaat uit Avondboot van Vonne van der Meer aan te halen over het belang van het hebben van een naam: "Eigenlijk heeft een mens niets, behalve een naam en op een of andere manier begreep ik dat op het eiland altijd beter. Omdat hier ook niets van mij is. Niets waarvan ik hier zo geniet kan ik het mijne noemen.")

Ik vind het verschrikkelijk . . . . .

(...) Als je bewust probeert bepaalde scenes uit je geest te bannen lukt dat nooit, mij niet tenminste.

Het gedeelte van het boek (stad der blinden) waarin de vrouwen zo vernederd worden bracht bij mij akelige herinneringen terug. Dat was verschrikkelijk maar tegelijk eigenlijk fantastisch. Fantastisch omdat ik denk nu de gelegenheid te krijgen die vroegere (onverwerkte, onbegrepen en waarschijnlijk daardoor steeds (nou ja, steeds, af en toe) terugkerende scenes te verwerken en hopelijk uiteindelijk te vergeten.

_____________

En hoe zit dat nou met het einde van het boek?

de afloop van het boek was voor mij niet wat ik gehoopt had, ik vond het te gemakkelijk. 

Ik vond in de de St. der Blinden het laatste stukje erg moeilijk. Als de beelden van de wijze heiligen kunnen zien omdat ze gezien worden. Hopelijk kan iemand mij dat verduidelijken. 

De blinden vonden rust in de kerk, daar waar ze door God en de heiligen gezien werden. Nu blijkt dat de heiligen geblinddoekt zijn en hun niet kunnen zien, verliezen de blinden het idee dat God hen ziet en daarmee hoop. Zo heb ik het ongeveer gelezen.  

Ik vind jouw verklaring mooi. Het spookt nog in mijn hoofd, dat deel van het boek. Toen het gezelschap in de kerk was en de vrouw van de oogarts al die bedekte ogen zag dacht ik (o, a-spirituele ongelovige) eindelijke de verklaring voor de plotselinge blindheid te hebben gevonden. Als iemand nou maar die lapjes van de ogen haalt, dan kan iedereen weer zien. De heiligen als een soort voorbeeldmensen.

Ook dacht ik aan Vrouwe Justitia, die geblinddoekt wikt en weegt. Zij draagt de doek om niet afgeleid te worden door uiterlijk vertoon. Dat laat Saramago misschien ook zien, dat we anders of later of niet over elkaar oordelen als we elkaars uiterlijk niet kennen? 

Zij draagt de doek om niet afgeleid te worden door uiterlijk vertoon. Zij draagt vooral een blindoek om objectief te blijven. Dus niet zozeer het uiterlijk vertoon. Zij moet niet zien wie er voor haar staat zodat zij zowel een bedelaar als een burgemeester op dezelfde objectieve manier kan behandelen, ook ziet zij dan niet of het bekenden zijn of onbekenden.

Ik heb het gister inderdaad uit gelezen, zonder iets te willen verklappen kan ik wel zeggen dat ik het een mooie, onverwachte wending vond krijgen. Alleen dichtte ik de scene in de kerk meer oorzakelijke waarde toe, dan er uiteindelijk beschreven werd, 't was misschien gewoon symbolisch ( Dit stukje is bijna op het einde van het boek ). Volgens mij speelt de schrijver ook nog een rol aan het einde....... 

Ik las in een recensie dat Saramago in al zijn boeken een keer opduikt. Net als Hitchcock (hoe schrijft men dat :-)) dus eigenlijk.

Ik begrijp het eind niet. Waarom kan iedereen opeens weer zien? Ook de scene in de kerk is niet duidelijk. 'God verdient het niet te zien...' bedoelt hij als God dit toelaat verdient hij de ellende niet te zien? En de blinden, de gelovigen denken dat ze door in de kerk te zijn omringd worden door de heiligen die hun ellende zien en dan 'het idee dat de heiligenbeelden blind waren, dat hun barmhartige of gekwelde blikken niet meer hun eigen blindheid aanschouwden, werd plotseling onverdraaglijk, het was alsof iemand tegen hen gezegd had dat ze omringd werden door zombies...'ook het laatste toevluchtsoord wordt de gelovigen ontnomen, ze zijn totaal verlaten, zelfs God ziet hen niet...

Ik heb me eerder afgevraagd wat die blindheid inhield, wat er mee bedoeld werd. Aan het einde vragen de oogarts en zijn vrouw zich dat 'eindelijk' ook af. Ik citeer: " , Waarom zijn we eigenlijk blind geworden, Weet ik niet, misschien wordt de oorzaak ooit gevonden, Wil je weten wat ik denk, Ja, wat, Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn, Blinden die zien, Blinden die ziende niet zien. "

Ik denk dat de schrijver met die blindheid, met ons niet zien, dus onze blindheid bedoeld . . . . . ik denk dat hij iets wil laten zien wat met geweten te maken heeft, of ons laagje vernis dat zo flinterdun is? Mij heeft hij de realiteit van onze wereld laten zien, denk ik. Zinloos geweld, geestelijke verarming. Dat zijn toch zaken waar we bang voor zijn, die we steeds duidelijker zien toenemen. Sluiten we niet voortdurend onze ogen daarvoor of weten we wat we er mee aan moeten/kunnen?

.... hoe het verder moet, wat we ervan leren . . .

Proberen geen blinde te zijn of een ziende blinde op z'n minst? Ik denk dat we nog veel meer uit dit boek zouden kunnen halen als we er samen over doorfilosoferen.

Wat mij betreft was het een boek waarin het verhaal vooral als symbolisch moet worden gezien. Het boek eindigt met de constatering dat we ziende niet zien en dat is meen ik de vermoedelijk religieus getinte boodschap van Saramago. De epidemische blindheid is wit het is een licht dat de mensen blind maakt. Het ziende blind zijn. Beschreven wordt wat er gebeurt met de wereld waarin de mensen het licht (de liefde) niet meer kunnen zien. De wereld verloedert, de mensen zijn egoïstisch de een sneller dan de ander. (Het wijkt misschien niet zo veel af van hoe de wereld van alledag er daadwerkelijk uit ziet. Zien we het wel?) Alleen daar waar iemand nog ziende is, valt nog wat liefde te bespeuren. De vrouw van de oogarts, de verlosser. De scène in de kerk die door sommigen niet werd begrepen, geeft meen ik de essentie van de boodschap van het boek. Als we God =liefde niet meer kunnen zien dan krijgen we ook geen liefde terug en gaan de wereld ten onder. De geblinddoekte beelden symboliseren dit. Zodra daar in de kerk op wordt gewezen door de enige die nog kan zien, is de verlossing (van de blindheid) daar. 

________

Een belangrijke constatering van een boekgrrl was nog:

Heerlijk die leeslijst. Een prachtboek, dat ik anders gemist zou hebben!

________

Tijdens het lezen van dit boek van Saramago kwam ook zijn andere boek "Alle namen" ter sprake. Een korte beschrijving.

Ik heb echt genoten van "Alle namen". Het gaat over meneer José, ambtenaar bij de Burgerlijke Stand (waar nog met inkt en kroontjespen wordt gewerkt). Meneer José heeft de hobby om knipsels van beroemdheden te verzamelen. 

Op een dag komt hij op het idee om zijn verzameling uit te breiden met de persoonsgegevens van de beroemdheden uit het archief van de Burgerlijke Stand. Hij neemt dan per ongeluk een persoonskaart mee van een onbekende vrouw. Hij raakt daarna door haar geïntrigeerd en gaat op onderzoek uit naar deze vrouw. Er gebeurt dan van alles en hij wordt steeds avontuurlijker, voor zijn doen. 

Het is heel goed geschreven, met een knappe spanningsboog - want wat er feitelijk gebeurt is niet echt spannend, maar toch ook weer wel. Saramago heeft een ongewone stijl waar je even aan moet wennen. Dialogen (in dit boek) bijv. schrijft ie gewoon achter elkaar door, zodat je goed moet opletten wie wanneer wat zegt. Maar er zit wel systematiek in. De zinnen worden gescheiden door komma's en als de zin na een komma begint met een hoofdletter, wisselt degene die aan het woord is. 

Ik vond de zoektocht van meneer José heel mooi en overtuigend. De beschrijvingen van het haast middeleeuwse Archief en de ambtenarij met alle regeltjes e.d. zijn ook prachtig. En meneer José zelf is tot slot een ontroerend personage.

Achtergrond informatie van boekgrrl Jos:

Jeugd

José Saramago wordt 16 november 1922 geboren in Azinhaga, Portugal, als zoon van een arm boeren gezin. Wanneer José twee jaar oud is, besluit zijn vader het boerenleven vaarwel te zeggen en met het gezin naar Lissabon te verhuizen. Ook daar leeft het gezin in grote armoede. Zijn twee jaar oudere broer Francisco sterft een paar maanden na de aankomst in Lissabon.

Op school is José een goede leerling, maar uit geldgebrek wordt hij gedwongen een technische opleiding te gaan volgen, i.p.v. verder te studeren. Geluk bij een ongeluk, wordt er op die opleiding ook aandacht besteed aan Frans en literatuur. Daar wordt zijn de liefde voor literatuur en poezie geboren.

Maatschappelijke carrière

Na het voltooien van zijn technische opleiding heeft hij diverse baantjes als technicus om in zijn levensonderhoud te voorzien. 's Avonds brengt hij veel tijd door in de openbare bibliotheek van Lissabon. In 1944 trouwt hij met Ilda Reis. Hij heeft dan inmiddels een baan als ambtenaar. In 1947 wordt hun enig kind, Violante, geboren. In datzelfde jaar verschijnt zijn eerste roman en schrijft hij nog een ander. Hij begint zelfs aan een derde maar realiseert zich dat hij eigenlijk niet te vertellen heeft en stopt met schrijven. Als overtuigd communist verzet hij zich tegen het regime van de rechtse dictator Salazar. In 1949 raakt hij om politieke redenen zijn baan kwijt. Geholpen door een vriend vindt hij werk als metaalarbeider. Eind jaren '50 komt hij bij een uitgeverij te werken. Daar krijgt hij de mogelijkheid kennis te maken met veel belangrijke Portugese schrijvers uit die tijd. In de periode van 1955-1981 verdient hij geld bij als vertaler van o.a. Maupassant, Tolstoi en Baudelaire. In de periode van mei 1967 tot november 1968 verdient hij ook bij als literair criticus. In deze periode verschijnt dus zijn gedichtenbundel "Os poemas possivies" en is zijn terugkeer op het literaire toneel een feit.

In 1969 wordt hij lid van de dan verboden Communistische Partij. Binnen deze partij neemt hij altijd een kritische houding aan. Eind 1971 vertrekt hij bij de uitgeverij en werkt hij bij het avondblad Diáro de Lisboa als manager van het culturele supplement en redacteur. In april 1975 wordt hij onderdirecteur bij het ochtendblad Diáro de Nóticias, maar wordt daar ontslagen na de militaire coup in november. Weer werkeloos en zich realiserend dat het voor hem moeilijk zou worden een baan te vinden in dit politieke klimaat, besluit hij zich te wijden aan de literatuur.

Literaire laatbloeier

In 1976 breekt er een periode aan van studeren, observeren en aantekeningen maken. Deze arbeid leidt in 1980 tot zijn roman 'Levantado do Chão'. 'Memorial do Convetno: romance' (1982, 'Memoriaal van het klooster', in het Engels vertaald als 'Baltazar en Blimunda'), een surrealistische roman zorgt voor de echte doorbraak van de dan 60-jarige auteur. In 1984 volgt 'O ano da morte de Ricardo Reis: romance' ('Het jaar van de dood van Ricardo Reis'), wederom een boek vol magisch realisme.

Saramago wordt wel vergeleken met Jorge Luis Borges en Gabriel Garcia Marquez. 'A janganda de pedra: romance' verschijnt in 1986 ('The Stone Raft' in het Engels). In deze roman breekt het Iberish schiereiland af van het Europees continent en drijft weg in de Atlantische Oceaan. In 1989 volgt 'História do cerco de Lisboa: romance' ('The history of the Siege of Lisbon'). In de jaren '90 volgen dan ook nog het omstreden 'O evangelho segundo Jesus Cristo: romance' (1991, 'Het evangelie volgens Jezus Christus'), 'Ensaio sobre a ceguira: romance' (1995, 'De stad der blinden') en 'Todos os nomes' (1997, 'Alle namen').

In 1991 weigert de Portugesze regering Saramago's 'Het evangelie volgens Jezus Christus' in te zenden voor de Europese Literatuur Prijs omdat het boek aanstootgevend zou zijn voor katholieken. Als reactie op deze censuur, besluit hij samen met zijn tweede vrouw, de Spaanse journaliste Pilar del Río, te verhuizen naar Lanzarote, een van de Canarische Eilanden.

In totaal heeft José Saramago meer dan 30 werken op zijn naam staan; naast een aantal romans, publiceerde hij ook gedichtenbundels, essays, toneelstukken en dagboeken over zijn leven op Lanzarote. De Italiaanse componist Azio Corghi schreef op 'Memorial do Convetno' een opera die in 1990 in Milaan is opgevoerd, getiteld Blimunda. Hoewel zijn werken in meer dan 20 talen zijn vertaald, is zijn werk in de Verenigde Staten (nog) niet erg bekend. Naast een groot aantal Portugese literatuurprijzen, won hij in 1998 de Nobelprijs voor de literatuur als eerste Portugees.

 

 


...