Make your own free website on Tripod.com
Leesclub Nieuwerkerk
Dooi - Rascha Peper

 Algemeen Dagblad van 10-09-1999 Pagina 25 boeken recensie Door Menno Schenke

De bedrieger bedrogen

DE VERKLARING flitst halverwege de roman door mijn hoofd: Rascha Peper moet niks hebben van mannen. Dit is een feministisch antimannenboek.

Rascha Peper Illustratie Karel Kindermans

Dooi heet de roman, je leest 'm in een avond uit. Het is zo'n boek waarbij je steeds weer naar verklaringen zoekt. Dat komt door de symboliek die Rascha Peper door Dooi strooit.

Wat betekenen die kraaien, die onbeweeglijke Chinese jonk, de jonge vrouw Bente die op de schaats opduikt, ijs dat kreunt, de naam Harnasman..? Steeds weer moet je als lezer in deze schets van een middelbare man wiens leven op dood spoor is geraakt naar een nieuwe vorm van waarderen zoeken. Dooi is daardoor sprankelend en verrassend. Met maar één minpuntje: voor mij had het boek 258 pagina's mogen tellen in plaats van 158, meer antwoorden mogen geven.

Ruben Saarloos, 58 jaar oud en vertaler uit het Engels van non-fictie boeken, raakt met zijn klipper Harnasman vastgevroren bij een eilandje in het IJsselmeer. Dat schip is zijn huis, heeft een ligplaats in een stroompje bij Naarden. Hij ging tijdens de vorst open water op om een nieuwe motor te proberen.

Zijn vrouw Ina laat hem alleen omdat zij niet zo veel vrije dagen heeft van haar werk op een accountantskantoor. Weken zit Saarloos alleen op het schip in het ijs, hij vertaalt en verveelt zich. Totdat op de schaats over het ijs de roodharige Bente opduikt jong, sproetig, tenger, scheve neus met wie hij in bed terechtkomt. Het eind van het liedje is dat de bedrieger wordt bedrogen.

Rascha Peper overlaadt haar verhaal met symbolen, die vaak verwijzen naar de dood. Je komt ze elders in de literatuur tegen, maar ook in de beeldende kunsten. De Dood zelf klopt aan het slot op de deur, maar Saarloos heeft nog geen tijd om mee te gaan.

Die Ruben is trouwens wel een beetje een sukkel, hoor. Hij wordt notabene verliefd op een vrouw, van wie hij kan vermoeden dat ze hem als een one night stand ziet. Bovendien, hij mist zijn Ina behoorlijk tijdens de zes weken dat hij vastzit in het ijs.

Als Bente aan boord is, krijgen we weer symbolen: ze brengt sigaren mee voor Saarloos, even later lucifers, `om het vuurtje goed aan te maken'. Als Bente is verdwenen, vervalt Saarloos in herinneringen en bespiegelingen. Aan zijn vader die op een legendarische prehistorische vis, de coelacanth, ging jagen en zijn gezin in de steek liet. Aan de tijd dat hij nog literatuur vertaalde in plaats van non-fictie, waarvoor weinig creativiteit is vereist. Hij mijmert over zijn huwelijk dat al meer dan een mensenleven duurt.

Waarom moet een vent van 58, die toch niet diepongelukkig lijkt met zijn bestaan, vreemdgaan? `De dooi had hem verweekt en overdreven sensibel gemaakt', schrijft Peper. Ja, week is-ie wel, die Saarloos. Hij vertelt, eenmaal uit het ijs bevrijd, Ina van alles, maar niet over Bente. Hij wil het wel zeggen, maar wil Ina ook weer niet verdrietig maken.

Zo werd Dooi het korte verhaal van een man die op z'n 58ste volledig is vastgelopen. Zijn huwelijk heeft de eerlijkheid verloren, hij heeft geen lol meer in zijn werk. Hij beleeft wel veel plezier in het onderhoud van zijn klipper, maar daar kun je niet van bestaan.

Niks antimannenboek, eerder mededogen. Die Ruben Saarloos probeert krampachtig de tijd te verhinderen voorbij te gaan. De vergeefsheid van zijn slappe pogingen daartoe maken je als lezer heel even erg treurig.

Rascha Peper: Dooi. Veen, 158 blz., 32,90. ISBN 9020458000

----------------------------------------------------------------------------------------------

NRC Handelsblad van 03-09-1999 Pagina 35 boeken recensie Arnold Heumakers

Vakkundig uitgeweend verdriet

Roman van Rascha Peper

Ontelbaar zijn zo langzamerhand de romans waarin de held tijdelijk uit zijn gewone doen wordt gehaald om eens ernstig over zichzelf en zijn leven te kunnen nadenken. Eilanden, ondergesneeuwde bergdorpen, verweg gelegen vakantie-huisjes de literatuur wemelt ervan. En steeds gebeurt in dat al dan niet gezochte vacuüm iets dat de zaak een beslissende wending geeft.

Is de held een oudere man, dan krijgt hij iets met een jong meisje; gaat het om een vrouw, dan staat er een wat oudere man paraat, zij het helaas nooit dezelfde als in de romans met een mannelijke hoofdpersoon. Een soort katharsis is doorgaans het gevolg en daarna kan men het leven weer aan. Het gegeven is zo'n levensgroot cliché geworden, dat de romans waaraan het ten grondslag ligt welhaast een apart genre zijn gaan vormen.

Willen genres de moeite waard blijven, dan dient er gevarieerd te worden. Nu eens niet naar een eiland, ondergesneeuwd bergdorp of verweg gelegen vakantiehuisje. Wat dit betreft valt Rascha Peper in haar kleine roman Dooi weinig te verwijten. Haar held zit met zijn woonboot vastgevroren in het IJsselmeer, overvallen door de vorst tijdens een tochtje om de nieuwe motor uit te testen. Weliswaar ligt de boot naast een eiland, maar de omstandigheden zijn zo uitzonderlijk dat je dit graag door de vingers ziet. In bijna alle andere opzichten daarentegen beantwoordt haar roman moeiteloos aan het bekende patroon.

Ruben Saarloos is een 58-jarige vertaler, voorzien van een `ouwe misantropenkop' en van problemen met de `emoties'. Voor alle duidelijkheid heet zijn boot de `Harnasman'. Deze Ruben (tijdelijk zonder `Saar', want vrouw Ina heeft al de wijk genomen naar het vasteland) heeft zich afgegrendeld, van binnen en van buiten. Zijn oude liefde voor de literatuur is hij kwijtgeraakt, en nu vertaalt hij nog alleen boeken voor het geld. De rest van de wereld begroet hij bij voorkeur met machteloos gemopper. Slechts de boot, zijn `harnas', bemint hij nog met onverminderde hartstocht. Een betere omgeving dan het ijs, lijkt voor deze `bevroren' ziel dus nauwelijks denkbaar.

Maar dan komt het meisje, ditmaal in de gedaante van een jonge, roodharige schaatster, die kennelijk geen last heeft van de inmiddels ingezette dooi. Bente Nerwanen blijkt zij te heten, een vreemde naam die achteraf niet minder symbolisch uitpakt dan de `Harnasman' of dan de kraaien, die na haar eerste bezoekje op Rubens boot neerstrijken.

Bij Edgar Allan Poe is het een raaf die de held van het gelijknamige gedicht laat weten dat hij zijn Lenore `never more' zal terugzien. Rascha Peper heeft bij Poe of n'importe welke andere romanticus geleend, teneinde haar Ruben een minder desperate boodschap mee te geven. Ook hij zal zijn Bente nooit meer terugzien, maar hun drie ontmoetingen zijn voldoende om zijn kleurloze bestaan wat op te fleuren.

Geheimzinnig doet Peper daar niet over. En dan doel ik niet op het feit dat de twee in het bootje op het ijs met elkaar naar bed gaan, want dat zij deze eindelijk door de verliefdheid ontdooide `hork en izegrim' graag gegund, maar op het verhaal over een `kleurendief' dat Ruben zijn jonge neefje placht voor te lezen, en op het neurologisch onderzoek naar de menselijke pupil waarbij Bente zegt betrokken te zijn.

Beide zaken komen samen in de volgende overpeinzing van Ruben naar aanleiding van de monochrome ijsvlakte om hem heen: `Best mogelijk dat deze prikkelloosheid tot geestelijke vervlakking en somberheid leidde. Dat de geest kleur, fleur en beweging in de buitenwereld nodig had om levendig te blijven en dat het gebrek daaraan hem de laatste weken zo suf en afgestompt gemaakt had. Legden die neurologen geen verband tussen pupilverwijding en Alzheimer? Misschien bestond het omgekeerde effect dan ook wel: kreeg het oog geen prikkels, dan sukkelde het brein vanzelf in slaap'.

Bij nader inzien blijkt de afstomping van Ruben wel wat dieper te zitten. Het ijs is niet meer dan een symbool. In werkelijkheid worstelt hij met een te laat besefte jeugdliefde en vooral met zijn vader, een man die zijn gezin had verwaarloosd en tot zijn vroege dood vergeefs op zoek was geweest naar de coelacanth, een geheimzinnige prehistorische vis, waarover Ruben toevallig juist iets leest in het ichtyologisch boekwerk dat hij aan het vertalen is. In zijn dromen vloeien (of, om in stijl te blijven, smelten) vis en geliefde ineen, als tastbare symbolen van `het onbenoembare (...), datgene wat zich een levenlang verborgen houdt, zich hoogstens af en toe laat vermoeden', en dat nu, in Bente's armen, voor Ruben even een concrete ervaring wordt.

Rubens verhouding tot zijn vader herinnert in de verte aan Hermans' Nooit meer slapen, waarin het vergeefse speurwerk door de zoon wordt opgeknapt. Maar de moraal van Peper wijkt af van die van onze betreurde nationale izegrim: bij zulke in wezen romantische queestes gaat het niet om het resultaat, maar om de inzet. Díe maakt het leven de moeite waard, ongeacht de uitkomst. Zodra Ruben dat heeft ingezien, kan hij alsnog vrede sluiten met zijn gestorven papa, en in een tranenvloed volgt de katharsis. Het verdriet om alle verloren geliefden wordt royaal uitgeweend, zodat weldra de verzoening kan komen met een bestaan waarin leven en dood, Eros en Thanatos niet van elkaar te scheiden zijn.

Voor schokkende verrassingen hoeft niemand bang te zijn. Weliswaar roept Peper het bovennatuurlijke (waarvan ik de details niet zal verraden) te hulp om háár variatie van het genre rond te krijgen, maar alles wordt zo grondig voorbereid en uitgelegd, via metafoor, symboliek en zonodig directe explicatie, dat elke docent Nederlands er met een gerust hart zijn onschuldige leerlingen op los kan laten om hun de eerste beginselen van het interpreteren bij te brengen. Rascha Peper verstaat haar vak.

Het merkwaardige is alleen dat zij er, ondanks alle clichés en doorzichtigheden, toch in slaagt van haar knorrige Ruben een levend en zelfs aandoenlijk personage te maken. Haar literaire confectie past perfect. Met als gevolg dat ook de docent aan Dooi enig plezier zal kunnen beleven, al is het maar omdat hij ook wel eens zo'n roodharig meisje zou willen tegenkomen op zijn kleurloos levenspad.

Rascha Peper: Dooi.

L.J. Veen, 158 blz. 32,90

Een hevige ontroering nam onverwacht bezit van hem. Hij was niet speciaal gevoelig voor roodharige vrouwen, nooit gemerkt tenminste, maar dit haar, in de tint van vurig herfstblad, of beter nog een mooie rosé, was zo'n explosie van kleur in zijn wereld van wit, grijs en grauw dat zich op slag een melancholiek gevoel van gemis en verlangen liet gelden. Verlangen waarnaar? Dat was niet duidelijk, maar dat zoete, vrouwelijke rood deed hem duidelijk beseffen hoe vaal en verschraald zijn bestaan hier geworden was en hoe dor en vreugdeloos zijn gedachten.
Uit Rascha Peper: Dooi
 
------------------------------------------------------------------------------------------
 
Trouw van 09-10-1999 Pagina 37 boeken recensie ODILE JANSEN

Geheimzinnige schaatsster doet Rubens ijzige hart smelten

Hoe serieus is een novelle te nemen over een geblokkeerde vertaler die met zijn zeilboot vastgevroren zit in het IJsselmeer, maar als de temperaturen gaan stijgen ook een emotionele dooi beleeft? Rascha Peper maakt in 'Dooi', haar nieuwste vertelling veelvuldig gebruik van dit soort 'van-dik-hout-zaagt-men-planken'-symboliek. Soms twijfel je of het nu opzet is, een ironisch stijlmiddel, of gewoon een sentimentele uitglijer.

In elk geval is zowel een goede dosis sentiment als overdrijving aanwezig in Pepers verhaal over de achtenvijftigjarige depressieve vertaler Ruben Saarloos. Ruben die aan het begin van 'Dooi' al ruim een maand in het ijs vastzit, worstelt niet alleen met een vertaling van een handboek over vissen, maar ook met zijn gevoelens. Zijn afkeer van 'hoe-word-ik gelukkig'-boekjes heeft hem al de reputatie opgeleverd van een 'iezegrim'.

Ten overvloede gaat de tweemaster waarmee Ruben en zijn vrouw Ina op tweede kerstdag zijn uitgevaren getooid met de naam 'Harnasman'. Het harnas dat Ruben jaren geleden heeft aangetrokken moet zoals gaandeweg blijkt in 'Dooi', hem vooral beschermen tegen de verwarring die het vertrek van zijn vader stichtte.

Je kunt je daar wel iets bij voorstellen gezien zijn bizarre, door Peper niet bijster overtuigend neergezette familiegeschiedenis. Rubens vader, een zeebioloog, liet vrouw en kinderen in de steek voor een gepassioneerde zoektocht naar de coelacanth, een lang uitgestorven gewaande oervis. Moeder Saarloos zoekt daarna haar heil bij God, maar slaat daarbij lichtelijk door. En zo groeit Ruben op in een puriteinse omgeving waar niet alleen de hagelslag, maar ook de moederliefde gerantsoeneerd is.

Nu levert de combinatie van een afwezige vader en een koele moeder zoals we sinds Freud weten, een prachtige voedingsbodem op voor neuroses. Geen wonder dus dat Ruben een wat geremde melancholicus is. Hij kampt met de emotionele erfenis die zijn ouders hebben achtergelaten. Rubens vertaling van het vissenboek moet daarom ook wel leiden tot een confrontatie met het verleden. In elk geval wordt die onvermijdelijk nadat Ina is meegegaan met een hulpdienst en hij alleen achterblijft op de 'Harnasman' bij een minuscuul eilandje.

Peper gaat dan gelukkig meer ambiguïteit en spanning in het verhaal creeren. Onder andere door Rubens verborgen fantasieën over de coelacanth aan zijn bewustzijn te laten opdringen. Zijn hallucinaties over een geweldige vis, waarvan de contouren zichtbaar worden onder de grijsblauwe ijsspiegel worden pakkend beschreven.

Maar het zijn vooral Rubens ontmoetingen met een zwijgzame schaatsster in deze crisissituatie, die 'Dooi' redden van melodrama en voorspelbaarheid. De anders zo overdadige symboliek is minder irritant aanwezig in deze scènes, of wordt ironisch ontdaan van haar loodzware lading. 'Dooi' wint ook aan diepgang door de komst van deze geheimzinnige roodharige jonge vrouw. Niet in de laatste plaats door de vele vragen die haar identiteit oproept, vragen die overigens tot op het laatst toe onbeantwoord blijven. Aan die 'openheid' ontleent dit personage goeddeels de complexiteit die haar authentiek maakt, in tegenstelling tot de wat karikaturale Ruben.

Even ongrijpbaar blijft de schaatsster ook in haar rol en betekenis. De gloed van haar lange rosse haren en de breekbaarheid van haar magere, sjofele verschijning oefenen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op Ruben, een sirene of zeemeermin gelijk. Tegelijkertijd bezit deze verleidelijke schaatsster de goedheid van een engel. Elke keer als ze komt vervult ze een van zijn wensen, drie (!) in totaal. Ten slotte bevredigt ze zelfs de onuitgesproken hartstocht van deze anders zo passieloze man. Rubens spontaan opkomende doodsverlangen tijdens het bedrijven van de liefde, lijkt dan de sleutel te leveren tot het raadsel dat het intrigerende meisje vormt. Ze is niet minder dan de personificatie van 'eros' en thanatos', de levensdrift en de doodsdrift.

Maar de schaatsster doet meer dan alleen ijzige harten smelten. Het meisje ontmoet Ruben niet toevallig als de eerste scheurtjes in zijn harnas zichtbaar worden. In het vervolg van 'Dooi' fungeert ze als een katalysator voor Rubens geblokkeerde verwerkingsproces. In haar rol als zwijgzame, maar belangstellende luisteraar, brengt ze een emotionele kettingreactie teweeg die, eenmaal in gang gezet, zich met dezelfde verbluffende vaart afwikkelt als een omvallende spiraal dominosteentjes. Dat deze ervaring minstens zo bevrijdend is als de erotische 'ontmoeting' maakt Peper aannemelijk. De onbeholpen nieuwsgierigheid van Ruben, die met moeite zijn verliefdheid maskeert en de introversie van het meisje verlenen aan hun gesprekken een ontroerende charme.

Daarvoor wil je Rascha Peper graag vergeven dat ze haar novelle even nadrukkelijk symbolisch eindigt als ze hem laat beginnen. Want nadat Ruben geheel tegen zijn zin door een ijsbreker wordt bevrijd, breekt er een tijd aan waarin hij even gedreven als zijn vader de coelacanth naspeurde, op zoek gaat naar het meisje. De suggestie dat ze al gestorven was voordat hij haar zag, transformeert 'Dooi' met terugwerkende kracht tot een moderne spookvertelling. Dit einde inclusief kerkhofbezoek en dialoog met de Dood overtuigt niet erg. Maar gelukkig is de creatie van de zwijgzame roodharige schaatsster op het IJsselmeer dan al een feit.

Rascha Peper: Dooi. Veen: Amsterdam/Antwerpen; 158 blz. - 32,90.

------------------------------------------------------------------------------------------

de Volkskrant van 27-08-1999 Pagina 25 cicero recensie Aleid Truijens

Een laatste verliefdheid

MEESTAL HEBBEN de personages in het werk van Rascha Peper excentrieke beroepen, zoals schelpenverzamelaar, poppenvader of zandkastelenbouwer, die bijna vanzelf tot onalledaagse geschiedenissen leiden. Maar in haar nieuwe, kleine roman Dooi is de hoofdpersoon gewoon freelance vertaler, zoals veel vertellers in de Nederlandse literatuur. Zo'n beroep, dat met de pantoffels aan kan worden uitgeoefend - journalist, historicus of biograaf mag ook - geeft immers gelegenheid tot veel mijmeren achter de tekstverwerker, erotische dagdromerij, lange wandelingen in werktijd en zo nu en dan een reisje. Isolement én mobiliteit zijn verzekerd, en datgene wat wordt vertaald of uitgezocht biedt meteen verhaalstof.

MARTIJN BEEKMAN

In eerste instantie stelt het teleur dat ook Rascha Peper, die wars leek van studeerkamerverhalen, haar toevlucht neemt tot zo'n belegen schrijverstruc. Totdat blijkt dat zij het pantoffelbestaan van haar vertaler, de 58-jarige Ruben Saarloos, meteen al flink laat ontsporen. In zijn ontreddering komt een ongewoon verhaal tot bloei.

Rubens isolement is niet prettig meer. Hij ligt al wekenlang met zijn woonschip ingevroren in het IJsselmeer, aan de kust van een onbewoond eilandje. Tijdens een tochtje met zijn vrouw Ina sloeg de vorst toe. De reddingsbrigade bracht eten en nam Ina mee naar het vasteland. Telefoongesprekken en het tellen van konijnen op het eiland zijn de enige afleiding bij het wachten op dooi en de vertaling die hij onder handen heeft, een biologisch werkje over vissen, geeft ook al geen aanleiding tot verheffende gedachten.

Mooi laat Peper zien wat er overblijft van een in zijn gewoonten versteende intellectueel als de elementen tegenzitten. Rubens rituele gekanker op smakeloze tv-programma's, de verachtelijke 'How to'-babbelboeken die hij moet vertalen, op de carrièremakers in het bedrijfsleven, op zijn drukbezette uitgever, op modieuze restaurants met pretentieuze liflafjes, op vrouwen die 'een maatje' zoeken, heel zijn voorgewende mensenhaat is bespottelijk in de witte vlakte die hem omringt, nu zijn vrouw - een vriendelijk 'Saartje' - er niet meer is om hem te verzorgen en gelijk te geven.

Tijdens de vorst kan hij zich nog een stoere poolreiziger wanen die zijn schip moet versterken tegen het duwende ijs, maar als de dooi inzet, breekt elke weerstand. Hij is alleen met zijn gedachten over ouderdom en naderende dood. En over zijn vader die hem verliet om te jagen op een hersenschim, de uitgestorven gewaande coelacanth, een vis die ook voorkomt in zijn vertaalwerk. Rubens geest desintegreert. Hij meent zelf een Chinese jonk te zien aan de horizon, een beeld dat even later oplost in het niets. Een telefoontje van een man die verkeerd verbonden is, jaagt hem de stuipen op het lijf; kort erna meent hij een insluiper op zijn boot te horen. 'De vorst had zijn wezen gestaald, de dooi verslapte het nu.'

Dan komt op een dag, als in een sprookje over een boze kluizenaar, zijn redster het beeld binnenschaatsen. Een mager, roodharig meisje dat zich van de dooi niets aantrekt en rustig door de blubber zwiert. Ze maken een praatje, hij nodigt haar uit op de thee. Bente Nerwanen heet ze, zo leest hij aan de binnenkant van haar uitgetrokken noren. Ze belooft de volgende dag terug te komen met de doos sigaren waarnaar hij hunkert, en de derde dag is ze er weer, met lucifers. Ruben is dan al verschrikkelijk, hulpeloos verliefd op het verlegen, bleke sproetenmeisje, wier 'waterval aan rood haar' op slag een 'melancholiek gevoel van gemis en verlangen' in hem losmaakt.

Op de vierde dag gaan ze met elkaar naar bed. Hij had gevraagd een Volkskrant mee te brengen, maar vreemd genoeg heeft Bente The Daily Mirror bij zich, waarin, zo blijkt later, een artikel over de coelacanth staat. De versmelting met zijn etherische ijsprinses - die Peper geleend lijkt te hebben van Botticelli's Venus, bleu oprijzend uit haar schelp - is een overrompelende ervaring, waarbij hij 'iedere identiteit verloor, met haar naar grote hoogte steeg en vervolgens omlaag tuimelde in een lome leegte'.

De volgende dag wordt Ruben door de reddingsbrigade naar huis gesleept. Zijn vrouw is blij, en zijn leven kan weer beginnen. Maar dat gaat niet. Hij moet op zoek naar Bente, van wie hij geen adres heeft en alleen weet dat zij onderzoek doet in pupillometrie aan de VU. Zijn naspeuringen brengen iets verbijsterends aan het licht. Dat gegeven is Pepers vondst, het geheim van dit verhaal. Het komt erop neer dat de vrouw die hem bezocht heeft, en die als vreemde liefhebberij het seinen met morsesignalen had, onmogelijk de Bente Nerwanen van de VU kon zijn geweest.

Maar wie zij ook was, de schaatsster, zij heeft het pantser van de vertaler gebroken. Op een treinreis van Hoorn naar huis ontlaadt zich het verdriet dat Bente met haar morsetekens, de jonk en de coelacanth wist aan te boren. 'De tranen begonnen te stromen en vielen niet meer te stuiten. Hij veegde ze weg maar ze bleven stromen, langs zijn wangen, zijn kin, zijn nek in, tot in zijn boord, alsof er ergens in zijn hoofd een vlies met water was geknapt dat helemaal leeg moest lopen.'

Bijzonder knap heeft Rascha Peper door een aards verhaal over een herkenbaar type het bovennatuurlijke laten sijpelen. De stijl blijft nuchter beschrijvend, met achteloze grapjes.

Wat Ruben overkomt, is bij zijn drassige geestelijke toestand aanvaardbaar. Maar ook afgezien van de vondst waar het verhaal om draait, is Dooi een ontroerend verslag van een allerlaatste verliefdheid in een ingesukkeld bestaan.

Ruben kan weer voort, ook al zal er niets van belang meer gebeuren. Doodgaan mag ook, nu het leven nog één keer heftig in hem heeft opgespeeld.

Jammer is alleen dat Peper haar verhaal iets te glad heeft willen polijsten. Namen en gebeurtenissen zijn soms topzwaar van betekenis. Zo is er Bente's veelzeggende achternaam, en die van Rubens schip, de Harnasman. Het ijskoude gemoed smelt door de aanraking van vlammend rood haar. Als Ruben terugvaart naar Amsterdam, komt hem de bedrijvigheid in het IJ voor als 'een leven waarvan hij niet meer helemaal deel kon uitmaken. Hij was losgescheurd uit een ander bestaan, ontrukt aan een werkelijkheid die hem ongeschikt gemaakt had voor zijn oude leven'.

Zulk uitleggerig commentaar is overbodig, en een beetje braaf, alsof de schrijfster niets aan de verbeelding van de lezer durft over te laten. Een roman als deze, stevig en suggestief tegelijk, kan het zonder richtingaanwijzers stellen.

Dooi is een goed getimmerd scheepje dat moeiteloos tussen deze en gene zijde heen een weer vaart.

Rascha Peper: Dooi.

--------------------

van de site van http://Scholieren.samenvattingen.nl

1. ANALYSE

Inleiding/voorwoord

Waarom gekozen:
Ik heb dit boek niet echt gekozen, maar ik zag het liggen en ik dacht misschien is dit wel een leuk boek. Dus ik las de achterkant en het sprak me wel aan. Het was in de vakantie en ik had er helemaal niet bij nagedacht om dit boekje voor Nederlands te lezen.
Maar toen ik er in begonnen was en op school werd gezegd dat we weer boeken moesten gaan lezen voor Nederlands dacht ik laat ik toch eens op de literatuurlijst kijken. En tot mijn verbazing stond dit boek er ook op, dus kon ik mooi verder lezen.
Mijn moeder (daar heb ik het boek ook van) heeft het ook gelezen en vond het een heel mooi boek. Net zoals ik.

Algemene informatie over de schrijver:
Rascha Peper werd geboren op 1 januari 1949 in Driebergen. Ze groeide op in een beschermd milieu, waarbij zij haar godsdienst miste. Ze studeerde Nederlands, met als hoofdvak Middelnederlandse literatuur en werkte enige tijd als lerares. Haar naam is een pseudoniem van Jenny Strijland. In 1983 verhuisde ze naar Wenen vanwege het werk van haar partner, die in dienst was van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar begon ze, omdat ze ernstig ziek werd, serieus werk te maken van het schrijven. In die tijd ontstond de eerste versie van haar boek "Oesters". Na de publicatie van haar eerste verhalen in "Hollands maandblad" en "Tirade", herschreef ze deze roman omdat ze "in alle valkuilen van een beginnend schrijver was getuind". In het najaar van 1999 verhuisde ze naar New York, waar haar man als diplomaat bij de VN-missie werkzaam is.

Het thema:
Het thema van dit verhaal is de dood. De dood is altijd nadrukkelijk aanwezig, het is daarom niet erg moeilijk om uit te vinden wat het thema is. Bovendien komt de dood hem opzoeken. Het verhaal is dan ook een gevecht tussen Ruben en de dood. Ruben heeft op het eind van het verhaal zijn angst voor de dood overwonnen. Bente heeft Ruben geholpen om zijn jeugdtraumas te verwerken. Na de komst van Bente, is Ruben gelukkiger met zn leven. Ruben is klaar voor de dood en zal misschien wel spoedig sterven. Blz. 155: "Maar nu ben ik niet wanhopig en ook niet bang. Ik vind het best dat je komt". Dit is een citaat wat Ruben zegt tegen de dood.

Het uittreksel

Titelbeschrijving:
Rascha Peper. Dooi. 3e druk. Amsterdam. 1999.

Voorwerk:
Geen

Inhoud:
Ruben Saarloos, een vertaler van achtenvijftig jaar, is op tweede kerstdag samen met zijn vrouw Ina en hun woonboot, de Harnasman, het IJsselmeer opgevaren om een nieuwe motor te testen. Ze leggen aan bij een klein verlaten eilandje, met de bedoeling daar een of twee nachten te blijven. Ze worden hier door strenge vorst overvallen en komen niet meer van het eiland weg. Zijn vrouw vertrekt wegens werkverplichtingen van de boot, voordat de dooi is ingevallen. Hijzelf blijft alleen achter op het schip omdat Ruben bang is dat zijn schip door het kruien van het ijs zal zinken. Bovendien wil hij niet bij anderen logeren. Heel erg eenzaam brengt hij hier zijn dagen door. Ruben heeft nauwelijks contact met de buitenwereld. Hij brengt de tijd door met het verkennen van het eiland en het vertalen van een vissenboek. Zijn eenzaamheid stelt hem in staat om zich op dit vissenboek te concentreren. Blz. 15: "Eenzaamheid en concentratie, daar kon het werk alleen maar baat bij hebben". Het boek wat Ruben aan het vertalen is gaat over vissen. Onder andere over de Coelacanth. Dat wekt bij hem herinneringen op aan zijn vader. 's Nachts droomt hij over zijn vader. Zijn vader heeft zijn hele leven gewijd aan een vergeefse achtervolging: het vinden van een Coelacanth, een raadselachtige vis. Door deze achtervolging heeft Rubens vader zijn gezin verwaarloosd. Bovendien heeft het overlijden van zijn nichtje Mady hem diep getroffen. Ruben heeft hiervan geleerd zich te beschermen tegen wat het leven tegen je kan doen. Hij wantrouwt mensen en hij is mensenschuw. Alleen zijn boot de Harnasman bemint hij nog met grote liefde. Hij heeft een saai en prikkeloos bestaan. Hij is een harnasman geworden. Door de afzondering op het ijs kan hij eens ernstig over zichzelf en zijn leven nadenken. Als de dooi invalt krijgt Ruben steeds meer last van eenzaamheid. Hij kan zich niet meer concentreren op zijn boek. Bovendien komen er geen schaatsers meer in de buurt van zijn boot en hij wordt ook niet meer bevoorraad. Blz. 31: "Nu was dat allemaal voorbij, geen strijd meer tegen het ijs, alleen een eindeloos uitzitten van zijn gevangenschap, geïsoleerder dan ooit, wachtend op het grote smelten". Met wassen nam Ruben het ook niet zo nauw. Voor wie zou hij het doen? Dan komt de dood hem opzoeken. Hij vindt dode konijnen op het eiland. Ook is er telefoon voor meneer Omshof (bargoens voor dood), die zich op zijn boot zou bevinden en hij ziet een spookschip. Dan komt de dood op schaatsen. Het blijkt hier om een roodharig meisje te gaan dat in Amsterdam het verband onderzoekt tussen pupilverwijdering en de ziekte van Alzheimer. Het valt Ruben op dat zij luchtig gekleed is en dat zij er smal en bleek uitziet. Hij vindt het vreemd dat zij het niet koud heeft. Deze roodharige schaatser brengt weer kleur in het leven van Ruben, zij ontdooit de harnasman. Blz. 34: "haar rode haar was zo een explosie van kleur in zijn wereld van wit, grijs en grauw dat zich op slag een melancholiek gevoel van gemis en verlangen liet gelden. De schaatsster belooft de volgende dag terug te komen. Zij zal dan ook de door hem gewenste sigaren meebrengen. Ze bezoekt Ruben drie keer. Het leven is voor hem nu best aangenaam. Bij de tweede ontmoeting leest hij in de schaatsen van de schaatsster de naam Bente Nerwanen. Hij vermoedt dat zij zo heet. Op de derde dag neemt zij hem lucifers mee en de Daily Mirror. In de Daily Mirror staat een artikel over de Coelacanth. Bovendien bedrijven ze tijdens deze dag de liefde. Na deze drie ontmoetingen wordt het ijs rondom de harnasman door de kustwacht doorbroken. Iedereen is enthousiast dat Ruben door de kustwacht bevrijdt wordt, behalve Ruben, hij beseft dat hij Bente voorlopig niet meer zal zien. Terug in de bewoonde wereld start Ruben een zoektocht naar Bente, net zoals zijn vader dat bij de Coelacanth deed. Bij de VU, waar Bente zou werken, vertellen ze Ruben dat Bente al bijna een jaar dood is. Ruben bezoekt dan het graf van Bente. Hij beseft dat hij Bente nooit meer zal zien en hij stopt met zoeken. Op het einde van het verhaal heeft Ruben een gesprek met de dood die Ruben komt halen. Dankzij Bente heeft Ruben zijn jeugdtrauma's verwerkt en is hij weer een mens geworden. Ruben is klaar voor de dood. Hij is rijp om te sterven, want hij heeft vrede met zijn leven. Hij vindt het best dat de dood spoedig zal komen. Ruben koopt uiteindelijk nog een antieke scheepslantaarn. Hij ziet dus weer licht in de duisternis. Misschien heeft Bente hem toch nog de kracht gegeven om verder te leven. En als hij zal sterven, dan sterft Ruben tenminste met vrede.

Structuur

De verschillende hoofdstukken van het boek zijn aangegeven met een Romeins cijfer, het gaat tot de tien, X dus. Het boek bestaat uit 158 bladzijden.

Belangrijkste personen

Ruben Saarloos: hij is de hoofdpersoon van dit boek. Zijn naam Ruben Saarloos betekent Ruben zonder Saar (zijn geliefde). Hij bemint alleen zijn boot nog met grote liefde. Ruben Saarloos is achtenvijftig jaar en vertaler van beroep. Hij is getrouwd met Ina, ze hebben geen kinderen. Hij vertaalt Engelse wetenschappelijke boeken. Ondanks het feit dat hij de meeste boeken gruwelijk vindt, kan hij zich goed concentreren op het boek en heeft geen last van anderen. Helemaal alleen op het IJsselmeer voelt Ruben zich dan ook erg goed, omdat hij niet wordt lastiggevallen.
Op zijn boot maakt hij een armoedige indruk, met zijn slordige kleren en zijn stoppelbaard. Ruben is helemaal niet levensblij. Bovendien is hij mensenschuw. Hij heeft er een hekel aan om onder de mensen te komen, vooral heeft hij een hekel aan de collega's van zijn vrouw. Ruben heeft last van jeugdtrauma's. Hij werd in zijn jeugd verwaarloosd door zijn vader, die zijn hele leven besteedde met het zoeken van de enige overgebleven Coelacanth. Met zijn moeder kon hij ook niet goed overweg. Bovendien heeft het overlijden van zijn nichtje Mady hem diep getroffen. Als Ruben helemaal alleen op het IJsselmeer zit, probeert hij zn jeugdtraumas te verwerken en vraagt zich steeds af hoe hij zou zijn geweest als zijn vader hem meer aandacht had gegeven. Als hij dan in contact komt met Bente, de schaatsster, ziet hij weer dat zijn leven toch iets mooi is.

Bente: Bente is rond de twintig jaar oud. Zij heeft een lichte, sproetige huid en rode haren. Bovendien is zij bleek en mager (een teken van de dood). Bij de eerste ontmoeting met Ruben was zij geheel in het zwart gekleed. Het valt Ruben bovendien op, dat zij erg luchtig gekleed is. Waarschijnlijk is dat zo, omdat ze in juli overleden is en Ruben dus komt opzoeken in de kleren waarin zij overleden is. Bente wordt in het verhaal een beetje vergeleken met de Coelacanth: zij zijn namelijk de enigen die Ruben en zijn vader kunnen helpen.
Tijdens de ontmoetingen tussen Bente en Ruben praten zij vooral over Ruben. Opvallend is dat Bente weinig over zichzelf loslaat. Op de vraag waar zij vandaan komt, antwoord zij slechts: "van ver". Ook geeft zij nooit een duidelijke bevestiging van haar naam. Blz. 54: "Ze leek een ogenblik na te denken, alsof zij ook over haar eigen naam nog moest nadenken". Ruben komt er dus nooit achter of haar werkelijke naam Bente Nerwanen is. Bente verteld Ruben echter wel over haar beroep en dat zij in Nibbixwoud woont. Als medisch analiste onderzoekt zij het verband tussen de ziekte van Alzheimer en pupilverwijdering.
Ruben weet weinig over Bente, maar Bente weet wel het nodige over Ruben. Als Ruben bijvoorbeeld haar vraagt de Volkskrant mee te nemen, neemt zij hem de Daily Mirror mee, waarin een stuk over de Coelacanth staat. Toeval? Of weet zij meer van Ruben? Na de drie ontmoetingen ziet Ruben Bente nooit meer. Het bleek dat zij in de zomer gestorven was.

Bram Saarloos (de vader van Ruben): hij was een slechte vader. Hij had zijn hele leven in het teken gezet van de zoektocht naar de enige overgebleven Coelacanth. Hij stond bij deze zoektocht alleen tegenover een rijke Brit. Zijn onderneming was dus kansloos. Voor Ruben was zijn vader een vreemde, nerveuze en bruine man. Zijn vader verdween met het spaargeld van zijn moeder om weer een nieuwe zoektocht naar de Coelacanth te beginnen. Hij probeerde warmte bij de Coelacanth te vinden, dit lukte hem niet. Kort na zijn dood werd de laatste Coelacanth gevonden. Zijn vader is te vroeg gestorven: hij had zijn leven niet verwerkt en hij was dus niet klaar om te sterven. Ruben is dat echter wel.

De moeder van Ruben: ze wordt in het verhaal nauwelijks beschreven. Ook maakt zij geen ontwikkeling door. Ze werd door haar man in de steek gelaten met twee kleine kinderen. Toen er geen inkomsten meer binnenkwamen ging zij lesgeven op een gereformeerd gymnasium. Haar man nam vervolgens al het spaargeld af voor zijn kansloze onderneming. Omdat ze troost zocht in haar eenzaamheid en verbittering, werd zij overdreven godsdienstig. Ondanks dat Ruben zich tegen zijn vader keerde, kon hij met zijn moeder ook niet goed overweg. Zij was geen warme persoonlijkheid.

Ina Saarloos: ze is de vrouw van Ruben. Ina heeft blond haar met een slordig knotje. In tegenstelling tot Ruben is Ina levenslustig en heeft zij een groot vertrouwen in de mensheid. Ze werkt als secretaresse op een accountantskantoor. Ruben kan goed met haar opschieten, al heeft hij nog nauwelijks hartstochtelijke gevoelens voor haar. Dat Rubens huwelijk na dertig jaar nog niet dood was, kwam dan ook door Ina. Ondanks dat Ruben van haar hield, raakt Ruben verliefd op Bente. Ina is dus blijkbaar niet in staat om Ruben de warmte te geven, die Bente hem kan geven.




Tijdverloop

Het verhaal wordt chronologisch verteld, al zitten er wel wat flashbacks tussen over zn vader die op zoek ging naar de Coelacanth. Het verhaal wordt verteld in een paar maanden. Van begin januari tot en met mei.

Ruimte

Het verhaal speelt zich voor het grootste deel af in en om de boot van Ruben, die vastgevroren ligt in een haventje bij een klein onbewoond eilandje op het IJsselmeer. Het is een strenge winter, waarin het zich afspeelt. Ook komt er op het eind een stuk voor dat hij weer in de haven ligt waar hij thuis hoort.

Motief

Eerst wat motieven die naar het thema 'de dood' verwijzen:
- Het spookschip dat Ruben in de verte ziet.
- De dode konijnen die Ruben op het eiland vindt.
- Het telefoontje waarin werd gevraagd of dhr. Omsof (= de dood) aan boord is.
- De aanwezigheid van Bente Nerwanen
- De te vroege dood van Mady en z'n vader.
- Ook de krassende kraaien die rond het eiland vliegen.
Hier komen nog wat andere belangrijke motieven:
- Jeugdtrauma's: Ruben heeft ze nooit kunnen verwerken
- Verliefdheid: Ruben werd verliefd op Bente.
- Relatieproblemen: De vader van Ruben misbruikt z'n vrouw, Ruben heeft een slecht contact met z'n ouders, Ruben bedriegt z'n vrouw als hij met Bente naar bed gaat.

Symboliek

Er komen verschillende symbolen in voor. Drie conventionele symbolen zijn de duif, de havik en de roos.
De duif (vrede), omdat Ruben aan het eind van het verhaal eindelijk vrede heeft met z'n leven en dat hij klaar is voor de dood.
De havik (oorlog), omdat Ruben z'n hele leven in oorlog is geweest met het verwerken van situaties. Zoals z'n jeugdtrauma's. Ook als hij weet dat hij Bente nooit meer zal zien. Blz. 152: "Dag Bente, "zei hij. "Dag Bente Johanna." Goed hier was het dan. Hij had het nu met eigen ogen geconstateerd en kon dus wel weer gaan.
Hier staat Ruben op het graf van Bente en komt hij er achter dat ze dus echt dood is.
Ook de roos (liefde) komt erin voor, Ruben wordt verliefd op Bente als hij haar ziet, maar ondertussen voelt hij ook nog iets voor z'n vrouw.

Ironie

Er wordt gezegd dat Ruben verliefd is en dat merk je ook aan z'n gedrag. Omdat hij getrouwd is, zou je denken dat hij verliefd is op z'n vrouw Ina, terwijl hij dol is op Bente. Dat is wel een soort ironie vind ik.

Thema

Er zijn volgens mij meerdere thema's. Dood, eenzaamheid en liefde zijn de duidelijkste.

Perspectief

Het vertellersperspectief is geschreven in de hij/zijvorm. Het wordt verteld door een alwetende verteller, omdat de schrijver geen rol speelt in het verhaal, maar wel de gedachtes en gevoelens van de personen in het boek weet. Het is een objectief perspectief, de schrijver vertelt over de personen van buitenaf. Je weet dus niet precies wat de verhaalfiguur denkt en voelt, maar je zit er wel dichtbij. Het kan ook zo zijn dat de schrijver zo gedetailleerd schrijft over hoe de persoon zich voelt en denkt, dat het meer een subjectief perspectief gaat lijken.

Titel

Ik zou de titel als volgt verklaren: Dooi staat voor een paar dingen. Als eerste voor het smelten van het ijs rondom de boot van Ruben. De dooi zou hem daar op het IJsselmeer kunnen redden. Ook ontdooit het scherm wat om Ruben heen zit (de harnasman), als hij Bente ontmoet. Hij kan mensen nu weer waarderen, terwijl hij eerst erg mensenschuw was.
De titel heeft dus grotendeels met de hoofdpersoon Ruben te maken.


2. LEZER EN VERHAAL

Stilitisch/esthetisch

Ik vind het een heel mooi boek. Het is best modern geschreven, dat vind ik er ook leuk aan. Het is daarom ook best makkelijk en duidelijk, omdat er niet te veel moeilijke woorden inzitten. Het wordt soms wel, soms niet uitgebreid beschreven, dus over het algemeen heb ik een goed beeld van de gebeurtenissen in het boek.

Structureel

Ik vind dat het boek een duidelijke structuur heeft. Het is niet moeilijk om te lezen en er zitten weinig moeilijke woorden in. Er zijn niet veel flashbacks, maar als ze er zijn, verwijzen ze naar het verleden van de vader van Ruben. Hierdoor wordt het boek niet moeilijker om te lezen.

Realistisch

Ik denk dat dit verhaal best echt gebeurd zou kunnen zijn. Op het IJsselmeer vast raken te zitten doordat het vriest is heel waarschijnlijk, maar ook dat Ruben allemaal dingen gaat zien die er eigenlijk niet zijn kan best. Ik bedoel je wordt na een tijd toch wel een beetje gek als je zo alleen op je boot zit zonder andere mensen. En dan gaan sommigen zich dingen inbeelden. Dus ik vind dat dit verhaal best wel echt gebeurd zou kunnen zijn.
De gebeurtenissen komen niet overeen met mijn ervaringen, ik heb zoiets nog nooit meegemaakt. Ik vind de gebeurtenissen erg boeiend geschreven, daarom was het ook een leuk boek om te lezen.

Emotivistisch

Het boek riep niet echt emoties bij me op, maar ik kon me wel goed inleven in de hoofdpersoon. Ik kon me er weer niet mee identificeren, omdat hij toch wel hele andere eigenschappen heeft dan ik.
In de recensie van Wim Vogel zegt hij: Als zon geschiedenis toch ontroert, je confronteert met je eigen gevoelens en verlangens, als een auteur erin slaagt haar personages te ontdoen van hun toevalligheid en hen een mythische kant geeft, dan heeft het cliché plaats gemaakt voor de authenticiteit. Ik vind het moeilijk om bij deze zin te zeggen wat hij nou precies bedoelt, maar hij heeft het in elk geval over gevoelens en verlangens.
Ook zegt Wim Vogel: Ik vind Dooi een ontroerend, goed gecomponeerd verhaal. Hij heeft er dus wel een gevoel bij.

Moreel

Het is niet echt in strijd met mijn normen en waarden, wel vind ik het een beetje raar dat een man van achtenvijftig met een meisje van net in de twintig naar bed gaat. Ook al is het verhaal niet echt gebeurd, omdat Bente eigenlijk dood is, heeft Ruben toch die verlangens naar een jong meisje. Maar ik schaam me er niet voor om het te lezen.

Vernieuwend

Het verhaal heeft me geen nieuwe denkbeelden over het leven opgeleverd. Ik had niet verwacht dat het boek zo zou aflopen, dat was wel verassend voor me.

Intentioneel

Ik weet niet precies wat Rascha Peper met het boek wil laten zien, maar ze wil volgens mij iets aanklagen, namelijk dat een relatie tussen een oude man en een jong meisje toch wel een beetje een taboe is. Verder kan er niet echt iets over vinden in de recensies van Wim Vogel en Aleid Truijens.


Personages

Zoals ik al zei, kan ik me niet identificeren met een van de personages. De personages zijn voor mijn gevoel erg levendig. Ik vind Ruben en Bente het meest sympathiek. Ruben, omdat hij eigenlijk best een beetje zielig is met zijn jeugdverleden en het verdriet om Bente als hij er achterkomt dat ze dood is. En Bente, omdat zij (ook al is ze dood) Ruben probeert te helpen met zijn verleden. Ik kon me erg goed in deze twee personages inleven, omdat ze een duidelijk en goed beschreven karakter hadden.


3. ACHTERGRONDINFORMATIE

Biografische gegevens over de auteur + bibliografische gegevens over de auteur

Rascha Peper is een pseudoniem van Jenneke Strijland. Ze is geboren in 1949 in Driebergen. Recent werk dat ze geschreven heeft: Russisch blauw (1995, roman), Alle verhalen (1997), Een Spaans hondje (1998, roman), Dooi (1999, roman, novelle). Ze heeft in 1989 ook nog Oesters geschreven en die later ook nog herschreven. Met Russisch blauw won ze de Multatuliprijs in 1996. Dooi is haar meest actueelste werk op dit moment.

Recensies + interview

Recensie 1: Een laatste verliefdheid

Titelverklaring: Ik denk dat de titel te maken heeft met de liefde van Ruben voor Bente. Het is ook een laatste echte liefde. Hij is namelijk wel getrouwd met Ina, maar is niet meer echt verliefd op dr. Dat is hij wel op Bente. Ik denk dat de titel daarmee te maken heeft.
Moeilijke woorden:
- mijmeren = peinzen
- verachtelijke = gemene
- pretentieuze = opschepperige
- gewaande = denkbeeldige
- melancholiek = verdrietig
- etherische = luchtige
- suggestief = schilderachtig
Kernzinnen:
zie recensie 1
Samenvatting mening:
De recensent vindt het op zich wel een leuk boek, alleen vindt hij het jammer dat Peper in haar boek een toevlucht neemt naar een belegen schrijverstruc. Hij vindt het wel mooi hoe Peper laat zien wat er overblijft van een in zijn gewoonte versteende intellectueel als de elementen tegenzitten. Hij vindt Dooi een stevige en suggestieve roman dat een goed getimmerd scheepje is en moeiteloos tussen deze en gene zijde heen en weer vaart.
Bronvermelding:
Rascha Peper. Dooi. De Volkskrant. ????

Recensie 2: Dooi: aangrijpende novelle van Rascha Peper

Titelverklaring: De titel is niet echt te verklaren. Er wordt eigenlijk gewoon een mening gegeven. De recensent vindt de novelle erg aangrijpend.
Moeilijke woorden:
- verbijzonderen = ???
- authenticiteit = echtheid
Kernzinnen:
zie recensie 2
Samenvatting mening:
Deze recensent vindt Dooi een ransig en doorzichtig verhaaltje waarin een uitgebluste man van boven de vijftig het aanlegt met een meisje van ent in de twintig. Hij vindt ook dat Peper haar personages een mythische kant geeft en dat dan het cliché plaats heeft gemaakt voor authenticiteit. Ook deze recensent vindt het een suggestieve roman. Verder vindt hij Dooi een ontroerend, goed gecomponeerd verhaal dat een riskant spel speelt met clichés, sentimentaliteit en voor de hand liggende verwijzingen.
Bronvermelding:
Rascha Peper. Dooi. NRC Handelsblad. Vrijdag 3 september 1999.

Interview
zie interview


4. CONCLUSIE (eindoordeel)

Ik vond het een erg leuk boek om te lezen. Toen ik las waar het boek over ging, dacht ik van waar gaat dít nou weer over? Ik vond het een beetje een raar, maar wel origineel onderwerp. Maar achteraf vond ik het toch een erg leuk boek. Het is gemakkelijk te lezen, er staat weinig moeilijke woorden in, dus iedereen die het wil, kan het boek lezen.
De recensent in recensie 2 zegt dat hij het verhaal een riskant spel vond. Ik vind dat op zich wel meevallen, want wat is er nou riskant aan? Rubens vrouw zit heel erg anders en er is verder niemand anders in de buurt die hem zou kunnen betrappen. Ook zegt hij dat het een ransig en doorzichtig verhaaltje is, maar dat vind ik nou ook wel weer meevallen. Het zijn gewoon de gevoelens van een oude man. Oké, hij had haar vader kunnen zijn, maar toch.
De recensent in recensie 1 heeft het over dat de personages in de boeken van Rascha Peper meestal een excentriek beroep hebben en dat dat in dit geval niet zo is, omdat Ruben gewoon een freelance vertaler is. Daar ben ik het niet met hem eens, want hij vergeet Bente die als medisch analiste onderzoekt wat het verband is tussen de ziekte van Alzheimer en pupilverwijdering. Dat vind ik persoonlijk toch een erg excentriek beroep.
Ook zegt deze recensent dat hij Pepers schrijverstruc belegen vindt. Ik weet niet precies wat hij hiermee wil zeggen, maar het klinkt niet echt positief. Daar ben ik het dan niet mee eens, omdat ik juist vind dat ze een heel mooi boek heeft geschreven en ik heb er niks op aan te merken. Waar ik het wel mee eens ben is dat hij zegt dat Dooi een goed getimmerd scheepje is, dat moeiteloos tussen deze en gene zijde heen en weer vaart. Als ik het goed heb, kan ik hieruit opmaken dat hij het een mooi en goed opgebouwd verhaal vindt. Daar ben ik het volledig mee eens. De gebeurtenissen hebben een mooie samenhang.
Ik vind veel passages uit het boek erg mooi en om er een te noemen, kies ik toch voor de passage dat Ruben in de trein zit en net van het graf komt van Bente. Als al die tranen van zn verdriet dat hij altijd maar heeft opgekropt dan naar buiten komen, ben ik toch wel een beetje ontroerd. Dat vond ik een van de mooie stukken uit het boek. Verder heb ik dit boek met plezier gelezen en ik zou graag nog een boek van haar willen lezen. Ik vind haar schrijfstijl leuk en makkelijk en ook de inhoud is goed en mooi. Ik kan dit boek dan ook absoluut aanraden aan anderen en dat heb ik ook al zeker gedaan.
Als ik Dooi een cijfer zou moeten geven, zou dat een 9 zijn. En waarom? Dat is denk ik wel op te maken uit de argumenten die ik hierboven heb genoemd.

HOME

RECENSIES : | Sleuteloog - Hella Haasse | Dooi - Rascha Peper | God's gym - Leon de Winter | De stad der blinden - Jose Saramago | De voorlezer - Bernard Schlink | De zonnewijzer - Maarten 't Hart | De passievrucht - Karel Glastra van Loon | De hydrograaf - Allard Schroder